geluk – 3

Morgen gaat Sjoerd met de fiets en de trein naar zijn werk. Ik zou even op en neer naar de stad kunnen, er liggen twee boeken klaar voor me bij de bieb. Bij de Biologische winkel aan het Zuiderdiep zou ik de extra ingrediënten kunnen halen voor de vlaai. Het kan allemaal, en ineens denk ik: zo verzin ik taakjes, vlecht ik mijn dagen aan elkaar, ik doe een beetje van dit en een beetje van dat. Laat de honden uit, ruim de B&B op, bak een taart, schrijf een dagboekfragment. Maar wat is mijn plan? Haruki Murakami, de Japanse schrijver van wie ik het boek ‘De jacht op het verloren schaap’ aan het lezen ben, zegt ergens: ‘Je leeft alleen echt als je ergens naar op zoek bent’. Waar ben ik naar op zoek? Wat is mijn plan, als ik weet dat ik iets zoek? De ik-persoon leidt een doelloos, kleurloos en zinloos leven, totdat hij op zoek gaat. Zijn hele leven verandert, alleen maar omdat hij wat zoekt. Wat zou ik kunnen zoeken? Zingeving is het, in mijn vocabulaire, en iets krijgt pas zin door het zin te verlenen, te geven. Dus is er een wisselwerking. Iets krijgt pas zin als je die geeft. En je kunt pas iets zin geven als je weet wat het is. Kip en ei, lijkt het wel. Moet ik Murakami eerst uitlezen om te snappen wat er uiteindelijk gezocht moest worden? Want mij is allang duidelijk dat het niet om dat schaap gaat, maar om de beeldspraak van dat schaap in het leven van de ik-figuur. Een filosoof, Ype de Boer, heeft een boekje geschreven over de achterliggende thematiek van de boeken van Murakami: ‘Murakami en het gespleten leven’. Hij (Murakami) schijnt telkens weer dezelfde onderlaag aan te roeren, in de basis gaan zijn boeken steeds over hetzelfde. Wat dat precies is, weet ik nog niet, ik heb dat boek nog niet gelezen. ‘Ype de Boer laat zien dat Murakami’s verhalen ons iets kunnen leren over een fundamentele gespletenheid in het menselijk bestaan. Deze originele bespreking van Murakami’s alledaagse helden, magische figuren en droomachtige sferen nodigt uit om Murakami’s fictie op het eigen leven te betrekken, en werpt nieuw licht op thema’s als identiteit, verantwoordelijkheid, zelfkennis, verbeelding, liefde, vrijheid en lot.’En als ik eerst de essays van Montaigne uit wil lezen, en het boek ‘Herfst’ van Ali Smith, kom ik er voorlopig ook niet aan toe om Ype de Boer uit de bieb te halen. Dan moet hij terug voordat ik aan hem begonnen ben. Taart bakken als je geen trek of geen feestje of voldoende brood in huis hebt. En tegen de tijd dat je trek hebt, het feestje er is, of het brood op, is de taart verschimmeld.

geluk – 2

Intussen ben ik alweer op zoek naar een volgend recept. Vlaai, daar heeft Peter G. het vaak over, dus ik dacht: laat ik eens googelen op vegan vlaai. De rijstevlaai stak met stip boven de andere vlaaien uit, qua zoekresultaten, een Limburgse mevrouw, die van huis uit gewend is om lekkere vlaai te eten (althans, dat zegt ze) heeft net zolang geëxperimenteerd tot ze een goede vlaai gemaakt had, met een lekkere bodem en een rijke vulling. Dus dat wordt de volgende uitdaging: rijstevlaai, maar dan zonder dieren. Eigenlijk wil ik de eerste wel voor mijn verjaardag, komende donderdag, al af hebben. Er moeten wat ongewone dingen voor in huis gehaald worden, zoals Johannesbroodpitmeel (het bestaat echt), en aardappelzetmeel (om ei te vervangen). Het is allemaal te koop, is het niet bij de supermarkt, dan wel bij de Biologische winkel. Ik herinner me knutseltijdschriftjes uit mijn jeugd, uit het duistere begin van de jaren zestig. Zwartwit, vage grijze foto’s, met knutseloefeningen ‘voor de jeugd’. IJzerdraad buigen tot een exotisch dier, triplex figuurzagen tot een kabouterschemerlamp, klei modelleren tot een herder naast een dromedaris. Prachtige voorbeelden, er werd me een wereld voorgespiegeld die bereikbaar leek. Ik begon er enthousiast aan, mijn fantasie kende geen grenzen die niet overbrugbaar waren. Maar altijd liep het ergens spaak, was iets niet te koop, of te duur, of lag anderszins buiten mijn bereik. Steeds opnieuw viel mijn droom in duigen. Bak ik nu met mijn taarten een inhaalmanoeuvre?

geluk – 1

Ik bak graag, en ik blijk ook, zo nu en dan, graag te koken. Gisteren kwam het allemaal even een beetje bij elkaar, toen ik voor de maaltijd Harira (Marokkaanse maaltijdsoep met tomaat en kikkererwten, die traditioneel ’s avonds in de Ramadan wordt gegeten) had gekookt, de dag ervoor al. Dat vond ik als maaltijd net iets te weinig, dus heb ik er een uienbroodje bijgemaakt: pizzameel tot pizzadeeg gekneed, er een flinke grof gesneden ui overheen gedrapeerd en het geheel twintig minuten in de oven gebakken tot een heerlijk plat uienbrood. Kleingesneden dadels en peterselie uit eigen tuin erbij. En bij de koffie een stukje zelfgebakken pruimentaart van zelfgeplukte pruimen. Het gevoel grenst aan geluk, dat ik dan ervaar. Het een plus het ander, de soep, het brood, de taart; het plukken, het bakken, het verzinnen: het klopt, het smaakt goed, het wordt erg gewaardeerd, zowel door mezelf als door Sjoerd. En het geheel is meer dan ik verwacht had, meer ook dan de som der delen, het samenzijn en samen doen speelt daar een grote rol in. Het zijn van die momenten, ik geniet er zeer van. Kan ik me een moment van hard werken herinneren waarop ‘alles zo bij elkaar kwam’? In elk geval kwam dat nooit door het harde werken. En als ik kook of bak ben ik nooit hard aan het werk. Terwijl ik het er wel druk mee heb, ook vrijdagavond om half elf nog, als de taart uit de oven moet.

appel

De meteorologische herfst is ingegaan en de eerste appeltaart is gelukt, al was hij te warm en te zacht om aan te snijden, en deed ik het natuurlijk toch, gisteravond, gedreven door lust en ongeduld, en zakte hij natuurlijk een beetje in- en uitelkaar. Er liep wat vocht uit, vocht dat ik er op het laatste moment, voor het bakken, juist nog bij had geschonken. Appeldiksap, ik dacht, een beetje vocht en een beetje zoet kan geen kwaad, verder zit er maar 100 gram suiker in, best weinig voor een taart met anderhalve kilo zure appels, goudrenetten van eigen boom. Het liep er dus zo weer uit, de volgende keer kan ik dat achterwege laten. Of de taart uiteindelijk stevig genoeg geworden is, zal ik straks wel zien. Een kopje koffie zonder appeltaart kan ik me niet voorstellen, tenminste niet als er appeltaart in huis is. Of appelsmurrie.

intussen

Intussen ratelt de specht nog steeds met zijn snavel op het vogelhuisje dat, net als alle andere, van mij vorig jaar een stalen plaatje rondom het invlieggat gekregen heeft, als bescherming tegen overactieve spechten. Al weken is hij als een bezetene aan het inhakken op een plaatje staal. Hij moet en zal er doorheen komen, het lukt hem maar niet. Elke dag, in alle vroegte, komt hij met zijn broodtrommeltje op zijn werk, begint te hakken en hakt zolang door als hij kan. Vanaf vroeg in de ochtend houdt hij het vol. Af en toe even schaften of een sigaretje, een adempauze. Als ik er woonde, in dat kastje, als mees zijnde, zou ik een klacht ingediend hebben bij de bevoegde instanties, dat gehak van zo’n pneumatische specht lijkt me niet te harden. Maar de mezen binnen houden net zo goed stug vol, je bent immers als mees maar één letter verwijderd van de overtreffende trap. Ze maken hun nestje, vliegen rond, gaan misschien wel voor nakroost zorgen. Als de specht even een boterham neemt of naar de wc is, snel in of uit en verder gaan ze rustig door met leven. Onverstoorbaar. Zou ik die specht eens met een goed gesprek op andere ideeën moeten brengen? Zou ik hem therapie kunnen aanbieden, een verwerking voor zijn verstorende leven? Of moet ik de bewoners aansporen om zich in te laten schrijven bij de woningbouw?

kip

In het ZKV van A.L. Snijders, dat gisteren in mijn mailbox viel, komt de uitleg van het Taoïsme voor: ‘De weg is bestendig daadloos, nochtans blijft niets ongedaan’. Hij blijft in mijn gedachten, soms struikel ik over een woord (‘draadloos’), soms hou ik me bezig met de spelling (‘nochtans’), die Snijders (die zelf eigenlijk een andere naam draagt) uitlegt en waar hij over mijmert. Er is ook een andere formulering in het spel, eentje die hij, hoewel ook van taal, duidelijk minder mooi vindt. Alles is taal, taal is alles. Zo las ik ook de uitspraak van Margaret Thatcher nog weer eens: ‘Being powerful is like being a lady. If you have to tell the people you are, you aren’t’. En dat zei de ijzeren dame over zichzelf, uiteraard, indirect. Nou ja, wat is indirect in dit geval? Zou ze een tekstschrijver gehad hebben, vroeg Sjoerd zich af. Ja, vast. Maar zo’n tekstschrijver kan dit alleen maar aan haar toeschrijven als ze zelf al zulke dingen zegt. Kip en ei.

en nu

gaan de beweging
van ingekeerd leven
water landinwaarts,
geen dijk, geen verweer
 
in basten van bomen
onzichtbare tekens
van liefde of uitweg
gekerfd met een mes
 
nu kan ik weer lezen
wat lang bleef verborgen,
de galligheid terug, de
verlegenheid, eerzucht
 
voelbaar verschil tussen
eb en de vloedlijn,
het zand en de golven,
wat kon en wat kan
 
wat heb ik gemist je
innemende glimlach
ontembare liefde
wat haal ik nog in?

(het gedicht is van mijn hand, met dank aan Aly Freye, René Alberts en Tonnus Oosterhoff)

Schaap weg

Ik was vanmorgen aan het hardlopen, van ons huis naar de dijk en zag bij een weiland één schaap aan de verkeerde kant van de sloot lopen. Ik stopte. Het beest graasde wat van de wal en de berm. Aan de andere kant van de sloot, waar alle andere schapen liepen, stond er eentje nadrukkelijk naar het overgestoken schaap te kijken, als een vriendje dat de heldendaad van zijn vriend met bewondering aanziet, maar zelf niet durft. Na een poosje sprong de held weer uit eigen beweging over de sloot, terug naar zijn kudde, zonder dat ik hem had aangemoedigd of opgejaagd. Hij besliste het moment zelfstandig. Zijn vriendje heette hem welkom, ze bleven samen nog een poosje naar mij kijken. Zou ik ook oversteken? De weg heet de Schaapweg. En er is geen schaap weg.

Vanmiddag. Sjoerd heeft de buitendeur open laten staan, hij is de tuin in gelopen, ik krijg het koud, binnen. Dus ik loop naar de deur om hem dicht te doen en zie dat Stine, onze hond, aan de andere kant van de sloot, in het weiland fanatiek aan het zigzaggen is, met de neus aan de grond. Ze heeft een spoor van een haas of een ree te pakken! Die zijn we voorlopig kwijt, denk ik. Ze is er zo al een paar keer vandoor gegaan, telkens moet een van ons er dan achteraan, ofwel de velden in, ofwel op de fiets het dorp rond, in de hoop dat we haar terug vinden en dat ze niet drie dorpen verder loopt of onder een auto is geplet. En telkens laat Sjoerd haar er toch weer uit. ‘Omdat het zo leuk is voor haar in de tuin.’ Hij staat er met een kopje koffie in de hand naar te kijken, wacht rustig af. En het wonder geschiedt: Stine komt zelfstandig terug, steekt de sloot over, het lijkt verdorie dat schaap van vanmorgen wel. Ze is er niet vandoor gegaan, ze heeft gewoon zelf besloten om terug te komen. Achter de wei waar ze net liep is diezelfde Schaapweg. En er is nog steeds geen schaap weg.

Brood

Al dagenlang was er koud weer voorspeld, hij had vanmorgen de ramen dichtgedaan en zijn pantoffels aan, had besloten dat het wel goed was met de kou, hem zouden ze er niet mee pakken, hij deed er niet aan mee vandaag. Zelfs de krant was niet bezorgd. Pas aan het einde van de dag hervond hij zich, kroop op van de bank, uit zijn boek, onder zijn dekentje vandaan, waar af en toe zijn eigen hond op was komen liggen om te testen of het wat was, die plek op de benen van de baas, op het dekentje, of dat de baas te wispelturig was, vandaag, en er geen rust te vinden viel.

De man was opgestaan en had zich naar de keuken begeven, als automatisch had hij de ingrediënten voor het bakken van brood verzameld, uit de laden en kasten, had ze afgewogen, water op temperatuur gebracht, desem uit de koelkast gehaald en aangevuld met het warme water en de bloem, alle rituelen die belangrijk waren bij het maken van goed brood had hij werktuiglijk gevolgd. Pas toen de vier warme broden uit de oven kwamen wist hij: mijn taak zit erop voor vandaag, ik heb mijn werk gedaan. Hij kon gaan slapen.

advent

ik schep het licht de kamer in, zon, warmte, geluk
trekken zich niets aan van herfst, vuile ramen
de honden slapen, de trage tijd tikt onverstoorbaar
zijn trage tik – geen haast – het lijkt verdomme het para-
dijs wel, oorsprong, verwachting
zonlicht in waterkoud november, de kachel brandt
 
dikbelegde boterhammen stillen elke
honger, warm banket bij
warme thee, pantoffels, bij-
na kaarslicht kerstmis geboorte
 
tot zover gaat alles goed
 
maar in de onderlaag raspt
de slang van
angst woede haast spijt
langs oude wonden –
komt het ooit goed?
wordt het nog tijd?
wacht af wie niet
op komt dagen
schiet op
wacht
(niet)
af
 
ooit op tijd?
ooit tevreden?
ooit genoeg?
 
misschien helpt poëzie,
godswoordwonder van taal – schrijf ik
mijn eigen dominee, schep ik
mijn hel mijn eigen paradijs