Berichten in de categorie: blog

geluk – 1

Ik bak graag, en ik blijk ook, zo nu en dan, graag te koken. Gisteren kwam het allemaal even een beetje bij elkaar, toen ik voor de maaltijd Harira (Marokkaanse maaltijdsoep met tomaat en kikkererwten, die traditioneel ’s avonds in de Ramadan wordt gegeten) had gekookt, de dag ervoor al. Dat vond ik als maaltijd net iets te weinig, dus heb ik er een uienbroodje bijgemaakt: pizzameel tot pizzadeeg gekneed, er een flinke grof gesneden ui overheen gedrapeerd en het geheel twintig minuten in de oven gebakken tot een heerlijk plat uienbrood. Kleingesneden dadels en peterselie uit eigen tuin erbij. En bij de koffie een stukje zelfgebakken pruimentaart van zelfgeplukte pruimen. Het gevoel grenst aan geluk, dat ik dan ervaar. Het een plus het ander, de soep, het brood, de taart; het plukken, het bakken, het verzinnen: het klopt, het smaakt goed, het wordt erg gewaardeerd, zowel door mezelf als door Sjoerd. En het geheel is meer dan ik verwacht had, meer ook dan de som der delen, het samenzijn en samen doen speelt daar een grote rol in. Het zijn van die momenten, ik geniet er zeer van. Kan ik me een moment van hard werken herinneren waarop ‘alles zo bij elkaar kwam’? In elk geval kwam dat nooit door het harde werken. En als ik kook of bak ben ik nooit hard aan het werk. Terwijl ik het er wel druk mee heb, ook vrijdagavond om half elf nog, als de taart uit de oven moet.

appel

De meteorologische herfst is ingegaan en de eerste appeltaart is gelukt, al was hij te warm en te zacht om aan te snijden, en deed ik het natuurlijk toch, gisteravond, gedreven door lust en ongeduld, en zakte hij natuurlijk een beetje in- en uitelkaar. Er liep wat vocht uit, vocht dat ik er op het laatste moment, voor het bakken, juist nog bij had geschonken. Appeldiksap, ik dacht, een beetje vocht en een beetje zoet kan geen kwaad, verder zit er maar 100 gram suiker in, best weinig voor een taart met anderhalve kilo zure appels, goudrenetten van eigen boom. Het liep er dus zo weer uit, de volgende keer kan ik dat achterwege laten. Of de taart uiteindelijk stevig genoeg geworden is, zal ik straks wel zien. Een kopje koffie zonder appeltaart kan ik me niet voorstellen, tenminste niet als er appeltaart in huis is. Of appelsmurrie.

Falafel 2

Broodje gehaald, broodje gegeten, broodje op. Ik zeg: doen!

Lekker vers, lekker smakelijk, niet te vet, kortom: een heerlijke lunch. Daan en Jesse hebben een mooie en handige kraam, de falafel wordt vers in balletjes gedraaid en gaat zo de frituur in. Broodjes worden in een kleine stoomoven warm gemaakt, alles gebeurt waar je bijstaat. En dat in Groningen, gewoon op de Vismarkt!

Een collega zei net: vanaf nu is vrijdag Falafeldag. Ik geef ons geen ongelijk.

Falafel

Mijn aangetrouwde achterneefje staat met falafel op de markt. Hoe Jesse mijn aangetrouwde achterneefje is, leg ik later nog weleens uit, eerst die falafel. En de markt. Of misschien allereerst: hoe hij op de markt terecht gekomen is. Vijf jaar geleden reisde Jesse de liefde achterna, naar Israel, en samen zijn ze er een restaurant begonnen. En nog één. Nu woont hij in Groningen, heeft vriend Daan een bakfiets omgebouwd tot foodtruck en staan ze samen twee keer in de week op de Vismarkt, met broodjes falafel in soorten en maten. Eerst hadden ze de sapmarkt even uitgeprobeerd, die doen ze er nu gewoon bij: broodje falafel met een vers sapje, en je lunch is compleet. Het loopt storm.

Dadelijk ga ik naar de Vismarkt. Dat kan makkelijk, want net als Jesse ben ik opnieuw begonnen. Hij vanuit Tel Aviv, ik vanuit Westernieland. Onze werkplekken liggen hemelsbreed tweehonderd meter van elkaar en het is vandaag dinsdag, Jessedag. Dus ik ga mezelf straks trakteren. Op zijn minst op een broodje en een sapje. Eens kijken of ik het vind smaken. En om Jesse even te zien, altijd leuk. Hem ken ik al haast zijn hele leven. En bijna mijn halve. Hij was erbij toen ik afstudeerde aan de kunstacademie, gewoon, omdat hij dat wou. Had-ie tegen zijn moeder gezegd, hij was negen of zo. En dus liep hij mee in de optocht, van het schoolgebouw naar de tentoonstelling, in het zuiden van de stad. Hij wou dat en hij deed dat, toen al.

Nu is hij horecaondernemer met internationale ervaring, hij spreekt Hebreeuws en bouwt aan zijn nieuwe toekomst. Heel af en toe spreken we elkaar, op Terschelling bijvoorbeeld, in de zomer. Vorig jaar liepen we er samen een hardlooptraining langs de dijk, dit jaar was het Blikspuit wat ons samenbracht. Altijd wel een aanleiding, nu is dat een broodje falafel. Mijn vorige falafel dateert van een paar weken terug, ik was in Parijs en zag ergens een volksoploop. Het bleek een succesvol Israëlisch falafeltentje te zijn, op straat werden tickets verkocht, als je betaald had kon je in de rij gaan staan om te wachten tot het bestelde geleverd werd vanuit een loket. Dertien seconden nadat Sjoerd zijn ticket had ingeleverd kreeg hij zijn broodje met overdadige en overheerlijke falafel en wat zuur. Even later was ik aan de beurt. Het was de lange wachtrij en het geld ruimschoots waard. Straten verder lagen de gele servetjes langs de weg en in de vuilnisbakken, overal was duidelijk: hier moet je zijn.

Straks loop ik mijn kantoor uit, de straat uit en de markt op. Op zoek naar een wachtrij. Daarna kom ik terug en doe ik verslag, dan horen jullie het wel. En leuk om Jesse even te zien. Een broodje falafel te proeven. En wie weet hebben ze gele servetjes.

mijn kleine jubileum

Vandaag vier ik een klein jubileum. Vandaag schrijf ik 365 dagen ononderbroken achter elkaar. Elke dag drie aviertjes vol. Ik ben er vorig jaar, op 13 juli 2016, mee begonnen op uitnodiging van een lieve vriendin. Ze had in een boek gelezen dat je je creativiteit ruim baan kan geven door elke dag te schrijven, regelmatig kunstmomenten in je leven in te bouwen, en nog wat. Zover ben ik niet gekomen, dat schrijven leek me een hele leuke uitdaging. Vandaag dus voor de 365e keer, ik heb geen dag gemist. Dat zegt wel iets over mijn plezier in het schrijven. Al met al kom ik vandaag op ruim 680.000 woorden. Omgerekend naar boekpagina’s zijn dat er zo’n 2400, goed voor twaalf boeken. Zo heb ik voor mezelf duidelijk gemaakt dat het schrijven van een boek in een maand kan. Zonder er iets anders voor te laten, want ik ben gaan schrijven voor mijn dagelijkse agenda aan, ik sta gewoon eerder op. Elke ochtend om zes uur zit ik aan tafel. Daar komt weinig tussen.

Wat ik schrijf? Wat me voor de pen komt, wat er zich voordoet. Een herinnering, een gedachte, iets over de dag van gisteren, een dingetje dat vandaag te doen staat. Vaak zijn die kleine dingen aanleiding om iets meer over op te schrijven. Soms komt er een verhaaltje boven over vroeger thuis, over mijn schildpad die over het tapijt kroop, of over mijn moeder die slagroom klopte. Ik herinner me dan weer het groene bakeliet van de slagroomklopper, en het filmpje dat mijn vader ervan maakte, en dat soms, om haar te plagen, versneld afdraaide op de acht millimeter-projector. Zodat het nog veel sneller ging dan het al ging. Zwarwitfilms waren het, met van dat flakkerende licht en zo’n zwart kader om het filmbeeld heen, met afgeronde hoekjes. Het geluid van de ratelende projector. Af en toe een haar in beeld, die dan weer, door de luchtstroom van de ventilator, wegvloog. Ik weet het nog allemaal, en als ik schrijf blijk ik nog meer te weten.

Begonnen als een aardige uitdaging weet ik nu, na een jaar, hoe schrijven belangrijk voor me is. Taal is, zeg maar, echt mijn ding, om met Paulien Cormelisse te spreken. Mensen die mijn verhalen lezen, geven terug dat ik beeldend schrijf, dat ze enthousiast zijn, verrast door een kleine twist, geraakt door de mooie observaties, de kleine gedachtensprongen. Wereldschokkend is het allemaal niet, oorlogen worden er niet mee gewonnen of verloren. Mijn verhalen zorgen soms voor een kleine glimlach om de mond, een kleine twinkeling in de ogen, temidden van de gewone dagelijkse dingen. Dat is genoeg. Dat is al heel wat.

groot

Als ik de blaadjes van de es eraan zou kunnen kijken, zou ik het graag doen. En tegelijk weet ik hoe snel deze jeugd, deze frisse voorjaarsperiode, voorbij is en de grote zomer begint, waarin alle blad diepgroen is geworden, alles van hetzelfde, alles zwaar en ondoordringbaar. Het frisse, lichte, jonge, veelbelovende van nu, dat gaat alweer veel te gauw over in dat vaste, zware, bijna definitieve. Alsof het altijd zo geweest is en altijd zo blijven zal. Hoe kort kun je genieten van de jeugd, en hoe lang verlang je er naar terug? Het is zo voorbij. En toch, een kind wil groter worden. Ook al zeg je dat daar nog tijd genoeg voor is, als groot mens, toch wil dat kind groot. Ooit schreef ik een versje in poëziealbums, ik meen dat het van Nico Scheepmaker is: ‘Droom niet van latere, betere jaren, de dagen van nu en van straks gaan voorbij. Ze dorren als gras en ze vallen als blaren, wees liever vandaag maar gelukkig en blij’. Internet kent het niet, zo hoogstaand zal het niet geweest zijn, en al te lang geleden voor het wereldwijde web. Begin jaren ’80, denk ik, dat ik het overschreef. Er moeten nog kinderen zijn die het in hun albumpje hebben staan. Ergens. Die zijn ook alweer bijna 45, denk ik dan.

met of zonder

Mijn kies wordt gerepareerd. ‘Dat voelt zeker als een groot gat?’, vraagt Frank, de tandarts. ‘Ja’, zeg ik, ‘als een heel groot gat’. ‘Valt mee’, zegt hij, ‘er is een brokje van een kies af, een klein bultje maar, dat wordt een kleine vulling. Met of zonder?’. ‘Als het zonder kan, dan maar zonder’, zeg ik. ‘Valt mee’, zegt Frank nog een keer en hij begint. En ik moet zeggen: het valt mee. Stapje voor stapje praat hij me door de behandeling heen. Een beetje afvlakken, een beetje opruwen, drogen (want composiet en vocht gaan niet samen). Watje hier, watje daar. Bandje er omheen, aanschroeven, vulling aanbrengen, drogen, beetje bijwerken en klaar. Ik zag er wel wat tegen op, net twee weken bij een nieuwe tandarts en nu al een dijk van een gat. Maar het valt mee, het kleine brokje is goed gevuld en Frank en ik kunnen het vanaf nu goed vinden. Zonder verdoving sta ik na twintig minuten weer bij de auto. Stine ligt lekker te slapen, achterin.

vroeg op

Vroeg op betekent: buiten donker. Ik zie geen hand voor ogen, de tuin in. Ik sliep wat onrustig, kennelijk was ik al bezig met opstaan, de halve nacht. Vier uur, vijf uur, kwart over vijf, enzovoort. En dan toch voor de wekker van zes uur wakker zijn, ik mag mezelf wel een compliment geven dat het zo goed gaat, dat matineuze.

Ik kan me als jongen niet herinneren dat ik vroeg opstaan leuk vond. Op de middelbare school had mijn moeder de grootste moeite om mij op tijd uit bed te krijgen. Mijn schoolvriendje Kees, een buitenkind, kwam een aantal kilometers op de fiets naar mijn dorp, parkeerde op ons binnenplaatsje en kwam soms zelfs aan mijn bed staan om me te wekken. De elektrische belinstallatie, die ik zelf had aangelegd, met een drukknopje bij het bed van mijn moeder en een harde bel op de overloop bij mijn slaapkamer, had dan dus al gefaald.

Nu sta ik op met groot gemak, ga heerlijk (koud) douchen en zit elke dag om zes uur, half zeven aan de schrijftafel. Het gaat me goed af. Ik heb er plezier in. De ordening, de rust, de ruimte om me heen, daar geniet ik van en daar floreer ik in. Als scholier gebuikte ik zo de late avond: nog lang ongestoord lezen, huiswerk maken, tot diep in de nacht. Lekker doorwerken en dan naar bed.

Als kind: lezen onder de dekens, zaklantaarntje aan. Radio zacht op Candlelight of op een hoorspel. Paulus de Boskabouter bijvoorbeeld.