Jaarlijkse archieven: 2019

de volgende ochtend toch weer gewoon eten als een slootgraver

Als het buiten laat licht wordt en vroeg donker, is er veel binnentijd. Om in huis te zitten, te lezen. Het hoofd en het hart in te gaan. Heel anders dan in de zomer, als de ochtenden beginnen met een vroeg rondje hardlopen en de avonden eindigen op een bankje in de tuin, in de late schemering. Actie, beweging, de natuur, het ritme van dag en nacht, ze nemen je vanzelf mee. Nee, dan nu: bijna alles staat bijna stil. Er is geen doel, het jaar is voorbij, hoogstens nog wat kleinigheden: de laatste kaarten schrijven, een laatste boodschap doen. De krant is uit, de rekeningen zijn betaald. Wat moet je nog?

‘Als je niks te doen hebt, weet ik wel een klusje’, de stem van mijn moeder klonk snerpend als ze me betrapte. In de zaak van mijn ouders was steevast werk teveel, waren er klusjes in overvloed. Ledigheid is des duivels oorkussen, het gelijk van het spreekwoord koos de kant van mijn moeder. En anders was er de bijbel wel, waar het brood in het zweet ons aanschijns gegeten werd. Niks doen was uit den boze. Dozen boeken sjouwen, vuilniszakken buiten zetten, desnoods een sjaal breien. Maar niet niks.

Misschien moet het aan het einde van het jaar zo zijn. Dat de verveling toeslaat. Zodat je straks blij bent dat je weer aan het werk kan. Tien jaar heb ik in het onderwijs gewerkt, daarna kwam mijn ontwerpstudio. Aan het einde van het jaar was er steevast eerst tijd om bij te komen van te grote drukte en daarna dingen te doen waar je niet aan toegekomen was. Klusjes. Nu mijn zaak op zijn eind loopt, vandaag en morgen nog en dan is het gedaan, gloort de leegte. Geen houvast, geen kader, niks. Een trap zonder leuning, oké. Maar wat als er geen treden zijn? Alle tijd hebben, uitrusten, geen haast, niks moeten. Uitslapen, lange ochtenden die zo voorbij zijn. Misschien is het even leuk. Maar daarna geen nieuwe opdrachten, geen nieuw werk. Op 31 december is het klaar met de zaak. En wat dan?

Onze hond Stine weet in deze laatste dagen van het jaar van vuurwerkangst niet waar ze het zoeken moet. Overdag durft ze zelfs niet te poepen. Ze wacht tot het buiten stil is en dan ineens, om twee, drie, vier uur in de nacht, meldt ze zich. Ze gaat voor de deur zitten. Sjoerd wordt er wakker van, gaat met haar naar buiten, het donker en de kou in. En de volgende ochtend eet ze weer als een slootgraver. Nog een paar dagen en het gewone ritme komt vanzelf weer op gang.

Misschien had ik me beter moeten voorbereiden. Er zijn mensen die er een cursus voor volgen: Pensioen in Zicht. Ik schrijf elke dag, dat is waar. Ik overweeg om te gaan studeren. Klusjes zijn er altijd voldoende. Ben ik niet op de vlucht om de leegte niet te hoeven voelen? Laat ik het voorlopig maar een beetje aanzien. Het is niet de eerste keer dat het jaar nieuw wordt. Het is niet de eerste keer dat de toekomst leeg is, klaar om ingevuld te worden. Misschien moet ik gewoon een tijdje ’s nachts het donker en de kou in. En de volgende ochtend toch weer gewoon eten als een slootgraver. Fuck de toekomst.

voor de zesde keer til ik mijn voeten op

Zelf eerst maar wennen, had ik bedacht. Kijken of hij niet spontaan de glazen deuren aan diggelen slaat. Of-ie geen snoeren opvreet, of ik misschien andere levensgevaarlijke situaties over het hoofd gezien heb. Of hij met zijn lawaai Stine niet de stuipen op het lijf jaagt en dus zo weer retour afzender kan. Het bleek allemaal reuze mee te vallen. Hij was minder luidruchtig dan gevreesd, met de glazen deuren ging hij uitermate voorzichtig om. Kortom: van mij mocht hij blijven. Ik besloot ze aan elkaar voor te stellen: mijn beide honden en mijn nieuwe robotstofzuiger.

Bij binnenkomst blaften ze allebei stevig. Die indringer moest eruit. Maar de bak met voer won het van verdediging en territoriumdrift. En toen de maag eenmaal gevuld was liet ik eerst Stine, aan de lijn, snuffelen aan de nieuwe bewoner. Ze rende er even achteraan, snoof wat geuren op en ging toen op de bank zitten. Tammo hoefde ik niet aan te lijnen. Die zocht direct een plekje naast Stine. Allebei keken ze met aandacht naar wat er zo nu en dan op ze af kwam, of onder ze onder de bank vandaan tevoorschijn piepte. Intussen deed de robot zijn werk, kriskras, volgens onverklaarbare logica.

‘Je breiwerk!’, gilde Sjoerd opeens. ‘Groene knop!’, schreeuwde ik terug van de andere kant van de kamer. Hij drukte erop en de veelvraat gehoorzaamde direct. Ik heb hem op zijn rug gelegd en de draad weer van zijn veegarmpje afgepulkt. Die zat er toch zeker al tien keer omheen gedraaid. Leer je van, zei ik tegen mezelf. Aan de snoeren had ik gedacht, de meditatiekussentjes tijdelijk op een stoel gelegd, de houtblokken netjes opgestapeld. De volgende keer dus ook letten op losse draadjes. Een uiteengereten sjaal en een gestikte stofzuiger, dat is niet waar ik op uit ben.

Eigenlijk maakt de robot weinig lawaai, van mij mag hij zijn werk zelfs doen terwijl ik in de kamer zit te schrijven. Zo wordt het huis schoon, in etappes, de ene dag de woonkamer, de andere dag de slaapkamer, dan weer de keuken of de B&B. Zodat de werkster minder werk heeft. Die doet natuurlijk nog wel de randjes, de plekjes achter de bloempotten, de stoelen aan de kant. Maar voortaan leef ik elke dag in een schoon huis, in plaats van een dag in de veertien dagen.

De robot komt onder de bank vandaan, twee honden zitten gebiologeerd te kijken naar wat er onder hen gebeurt. Ze volgen hem met een nauwkeurige blik, van links naar rechts. Dat is humor waar ik van houd. Als het ding een poosje bezig is, vind ik dat hij wel erg veel op de ene en erg weinig op de andere plek geweest is. Maar daar moet ik weer vanaf, hij gaat kriskras, net zolang totdat hij ongeveer overal ongeveer wel geweest is.

Even later. Geratel. ‘Groene knop!', schreeuw ik, Sjoerd is er weer als de kippen bij. Mijn nieuwe vriend was alweer lustig begonnen aan een vergeten bolletje breiwol. Een deel om zijn wieltjes gedraaid, een deel in de borstel. Dat werd weer ontwarren, en het kwam weer goed. Nu schrijf ik dit op en voor de zesde keer til ik mijn voeten op, omdat hij eronderdoor moet. Is al geweest, wil ik zeggen, maar hij luistert niet. Nog een poosje en ik laat gewoon mijn voeten staan, hij gaat er wel omheen. En anders maar niet.

als Sjoerd uitslaapt is alles in de war

Alles is in de war. Dat is eigenlijk een tekst van mijn moeder. Ze is 95. Elke week klaagt ze dat alles in de war is. Het eten tien minuten later? Alles in de war. De pillen vijf minuten eerder? Alles in de war. Op zondag een koek in plaats van een gebakje? Alles in de war. Vandaag heeft Sjoerd een margedag. Leren, studeren, vergaderen, onderwerpen die de school, de meesters en de juffen betreffen. De kinderen zijn vrij. Inloop vanaf half negen, negen uur beginnen. Dat werd uitslapen vanmorgen. En als Sjoerd uitslaapt, is alles in de war.

Was ik eerst nog van plan om iets eerder op te staan en om kwart over zeven te gaan zwemmen, de margedag maakte dat ik het te ingewikkeld vond: alleen ontbijten, alleen naar de stad, alleen terug. In plaats van, zoals gepland, samen. Dus nee, dan maar niet naar het zwembad, we bleven samen liggen wachten op de wekker van tien voor zeven. Samen ontbijten, hij naar de bushalte, ik schrijven. Zo had ik het dan maar bedacht. Maar ook dat raakte in de war.

Zou ik net beginnen met schrijven, ging de telefoon. Sjoerd, bij de bushalte. Nog steeds geen bus. Of ik hem naar het station brengen wou. Ja hoor, drie minuten later reden we het dorp uit. Zo vlot dat hij een trein eerder haalde in plaats van een latere te missen. Eenmaal weer thuis besloot ik de honden uit te laten en te eten te geven. Pas om half tien kwam ik aan schrijven toe. Aan de ene kant wil je (lees: ik) graag het onverwachte: avontuur, leuke dingen doen, verrassingen in het leven. Aan de andere kant graag alles zo gewoon mogelijk. Gewoon op tijd opstaan, gewoon op tijd slapen gaan. Daartussen graag alles gewoon.

Facebook meldt in januari weer een Cool Challenge: het koude water van het Lauwersmeer in. Kijk ik het filmpje terug van twee jaar geleden, zie ik mezelf rennen in sportkleren. Oefeningen doen. Energie opwekken. Daarna in de zwembroek het koude water in, middenin de winter. Dompelen, een paar minuten blijven zitten. En eruit, naar binnen, snert eten. Ik weet nog dat ik daarna barstte van de energie. Die wel een week aanhield. ‘Doe je dit jaar weer mee?’, vraagt Maikel. ‘Leuke uitdaging!’ Dat wordt dan in elk geval de komende weken koud douchen. Om te wennen. Zal ik die oude gewoonte weer oppakken? Raakt alles dan in de war of is het juist weer prettig ‘gewoon’?

Terug naar nu. Stine wil na het eten naar buiten. Loopt dapper naar de boomgaard, zakt door de hurkjes en doet een plas. Een onbekend geluid en ze stuift als een haas weer naar binnen. Doodsbang. Ik zal blij zijn als het in januari weer gewoon is: geen vuurwerk meer, geen bietenvrachtwagens die op ieder moment van de dag of de nacht hun lading komen halen of brengen. IJzeren containers, donderend geraas. Gewoon, een hondje dat gezellig naast de baas loopt, nieuwsgierig is en blij. Geen angsthaas.

Buiten is het grauw, een koude wind waait over het land. Alsof de herfst begint, na een paar mooie stille dagen winters wit. Nat is het, guur, er wordt meer regen en meer wind verwacht, zondag heet het ‘onstuimig’. Weer voor een regenpak, voor laarzen, voor flinke trek in de schoorsteen. Chocola bij de koffie, de kachel aan. Verder gewoon. Prettig gewoon.

 

wat voor nuttigs ik allemaal zou kunnen doen als ik geen lijstjes maakte

Je kent ze vast, mensen met onuitgepakte verhuisdozen. Die er al jaren staan. Ik ben zo iemand. Ze staan op de wc, die ruim is. Het zijn er een stuk of 60. Precies geteld heb ik ze niet, maar nu ik aan het schrijven ben, vraag ik me af of dat misschien zou moeten, voor de volledigheid. 59 is toch iets anders dan 68. En ik denk dat ik al weet hoe het zal gaan: als ik klaar ben met schrijven, loop ik naar de wc, zet ik de spullen die ervóór staan aan de kant en ga ik tellen. Om precies te zijn. Wat erin zit? Geen idee.

Ja, er staat ook nog wat voor. Een tekeningenmap, een paar schilderijen en mijn racefiets. In woontijdschriften zie je soms foto’s van huizen, waar mensen hun racefiets nergens anders kwijt konden dan in de woonkamer. Of op de gang, of in de wc. Zo’n huis verandert dan ineens van ‘krap’ in ‘origineel’. Ik heb de neiging om straks te gaan kijken wat er allemaal nog meer voor de dozen staat, en dat dan op te schrijven. Schilderijlijsten, maar hoeveel, wat zit erin, hoe kom ik eraan? Een oude blokkendoos, bloempotten, hoeveel, van wie, waartoe? Dat lijstje wordt eindeloos. Misschien toch maar niet. Hoewel. Ik ben graag precies.

De draadloze thermostaat van de verwarming ligt er op de grond. Eerst lag hij in de vensterbank. Maar daar gaf hij de temperatuur niet goed aan vanwege het openstaande raampje, het werd er veel te warm. Nu ligt hij op de grond, daar is het warmer, daar slaat hij eerder af. De thermometer gaf net 16,4 graden aan. Straks, als ik misschien ga tellen hoeveel dozen en hoeveel overig spul, moet ik ook maar even kijken of de temperatuur veranderd is. Of niet.

De dozen, de schilderijlijsten, de racefiets, alles wil ik benoemen. Kijken of ik niks vergeet. En dat opschrijven. Hoe ik eraan kom, levert een lijstje op. Wat ik ermee wil doen ook. Een lijstje van wat ik in één keer weet te noemen en een lijstje van wat er ook nog blijkt te zijn. En dan al die dozen: wat zit erin? Waar komt het vandaan? Lijstjes, lijstjes. Als Sjoerd vanavond thuiskomt en ik hem dit verhaal voorlees, krijg ik denk ik commentaar. ‘Je kunt het ook te gek maken’. Of: ‘Man, hou je je daar de hele dag mee bezig?’ Of: ‘Ga eens wat nuttigs doen’. Een lijstje met zijn reacties kan ook. Of eentje met wat voor nuttigs ik allemaal zou kunnen doen als ik geen lijstjes maakte.

Als ik de stukjes van Erik Jan Harmens lees in de zaterdagse Trouw, raak ik vaak eerst een beetje geërgerd. ‘Man’, denk ik, ‘je kunt het ook te gek maken’. Maar vervolgens wordt er iemand in mij een beetje wakker. Die geleerd heeft dat hij op moet houden met zinloze dingen doen. Die altijd te horen kreeg dat hij een beetje doordraaft. Dat hij geen lijstjes moet maken. Pas als EJH schrijft en ik hem lees, wordt er een Wouter uitgepakt die heel lang in een doos zat. Ben ik daar blij mee? Ja, omdat ik dat ook ben. Nee, omdat die Wouter misschien een beetje raar gevonden wordt.

Soms lees ik zo’n ErikJanstukje voor aan Sjoerd. En zeg: ‘Zoiets heb ik ook’. ‘Dat valt wel mee’, zegt hij dan. Of hij is even stil.

 

uiteindelijk wordt het weer van mezelf

De honden springen op als ze de kamer binnenkomt. Gaan dan op de bank liggen kijken. De werkster doet de vloer, ze komt dichterbij. Ik til mijn voeten op, zij dweilt, ik begin een nieuwe pagina. Huiswerk. ‘Schrijven is stelen’, is het motto van de cursus, deze week. ‘Lees om je heen, kijk hoe een ander schrijft. Leen iemands woorden, ontdek wat je dat brengen kan. Het wordt uiteindelijk toch altijd wel weer van jezelf.’

Ik kijk uit het raam. De herfst rukt op. De blauwpaarse geraniums aan de overkant van de vijver zijn de enige die nog bloeien. De Astilbe, de Geitenbaard, de Judaspenning, ze willen nog wel maar ze kunnen niet meer. Alles hebben ze gegeven, warmte, gloed, kleur, een lange zomer lang. Nu is het op. Wat er nog van over is wordt geel, rood, bruin. Verliest zijn kracht, valt om, verdwijnt. Het wit en grijs en blauw van de lucht in de verte nemen het over van de nazomerse geelroodbruine uitbundigheid van de tuin. Leger wordt het, de aarde zwart, de lucht lichter.

Als ze klaar is, gaat ze. Ook dat geeft ruimte. Ik lees een column van James Worthy. Hij schrijft over twee daklozen in de eerste koude nacht van het jaar. Ze verdrijven de kou met praten over warme dingen. Het strand, een baby, een thermoskan. Ik denk aan de warme gloed in de koude tuin, het warme sop op de koude vloer. Ik verzin bubbels in mijn aderen. Allesreiniger. Ik verzin dat er schuimend sop doorheen stroomt. Alsof de wereld ook van schrijven een beetje schoner wordt.

Schrijven alsof het stelen is. Stelen van James, van zijn taal, van zijn kapitaal. Nog even schrijf ik zijn woorden, warm ik me aan zijn strand, zijn zon. Aan zijn stadse bravoure. Mijn hart pompt zijn bloed door mijn aderen. Het schuimt, het frist ervan op, het ruikt hier naar Amsterdamse bloemetjes. Maar de werkster is naar huis, het sop van James verdampt, de aarde wordt zwart. En uiteindelijk wordt het weer van mezelf. Wit en grijs en blauw van de lucht. Lichter. Leger.

liever niets dan alles

‘De boeken top-1000 van Hebban, is dat niks voor jou’, zegt een vriendin. ‘Nee dank je’, zeg ik, ‘als ik daaraan begin, dan moet ik ze allemaal’. Ooit begon het met de Ollie B. Bommelboeken van Marten Toonder. Leuke getekende verhaaltjes over de would be-beer in zijn rood-met-geel geruite jas. Over Tom Poes en al die andere geestige figuren. Prachtige taal vol leuke woordgrapjes, ik smulde ervan. Bovendien: mooie witte rechte boeken, allemaal gelijk van vorm, prachtig op een alfabetisch rijtje in de kast. Telkens als er een nieuwe Toonder uitkwam stond die bovenaan mijn lijstje. De plank van de T liep vol.

Felix Timmermans was de volgende. Ik had er een, ik kreeg er een, voor ik het wist was het een verzameling. Pallieter, Pieter Bruegel, Het kindeken Jezus in Vlaanderen. Ik las ze niet eens, ik hád ze. Mooie oude geelbruine breekbare boekjes met gekleurde plaatjes voorop. En toen ik van De pastoor in den bloeyenden wijngaerdt een derde druk had en een tweede voor mijn verjaardag kreeg, dacht ik: je kan ook alle drukken sparen! De T-plank puilde uit.

Alle auteurs met een T, dat moest te doen zijn: Theo Thijssen, Paul Theroux, Mark Twain, Dylan Thomas, J.R.R. Tolkien. Daar begon ik te haperen. In de ban van de Ring, ik kwam er niet doorheen. Frodo, Gandalf, rare namen van rare figuren. De vreemde fantasiewereld, ik kon er niet bij met mijn ordenende geest, mijn rechte boekenplanken vol nette boeken op een rij. Ook de mensen die fantasy leuk vonden, dwepers vond ik het, rare lui. ‘Alles’ had een grens. De Toondertjes, de Timmermansjes, ze zijn in de loop van de jaren naar de rommelmarkt verhuisd. Mijn boekenkast is inmiddels aardig ruim, er komt weleens een boek bij, soms gaat er een doosje vol naar de boekenmarkt, hier in het dorp.

Toch kan ik het niet laten om bij Hebban te kijken. ‘De 1000 mooiste boeken aller tijden’, staat er. Het hoogst genoteerde boek dat ik gelezen heb staat op de twaalfde plaats: Honderd jaar eenzaamheid, van Marquez. De Avonden van Reve, dat op één zou moeten staan, staat op nummer 56. Tolkien aan de top. Zie je wel, denk ik, de boekenshitparade. Stiekem kijk ik nog een keer. ‘Editie 2018’, zie ik. Dat betekent dat er ook een Editie 2017 was, en waarschijnlijk ook een Editie 2019 komt. En ik voel alweer een verzameling opkomen. Alle top 1000’s. Van alle jaren. In alle drukken. Het is véél teveel. Liever niets dan alles.

hier ligt een brokje

We doen het avondrondje en komen een andere hond tegen: Scoob, die de berm in duikt. ‘Ik gooi brokjes’, zegt zijn baas, die Bas heet. ‘Goeie speuroefening. Dan heeft hij wat te doen’. ‘Hier’, zeg ik, ‘hier ligt een brokje, Scoob, dat ben je vergeten’. Scoob knabbelt het op en loopt door. Bas loopt door, wij lopen door. Verderop duikt Tammo ineens de berm in. Twee tellen en ik hoor hem knabbelen. Een brokje van Scoob. Het woord triomfantelijk vind ik op zijn plaats.

me toevertrouwen aan wat niet is weggeweest

De mist was nog bezig een goed heenkomen te zoeken terwijl het licht zich meester maakte van de dag. Ochtendspits, de motor zoemde zacht, de cruise control maakte de reis ontspannen. We reden naar de parkeerplaats, we namen afscheid, de bus zou hem naar school brengen, drie haltes verderop. Ik reed verder, parkeerde, liep naar de deur, die vóór mij begon te draaien en na mij weer stopte. De beveiligingsmedewerker opende het hekje alsof ik er kind aan huis was, ik kleedde me om en ging naar het bad.

De middelste banen, zei de badjuf, zouden over tien minuten door een andere club gebruikt worden, of ik daar rekening mee houden wilde. Ik liep naar baan vijf, ging op de rand zitten, maakte mijn bril nat en zette hem op. De lange jongen die het water langzaam uitging en zijn gebeeldhouwde lichaam toonde, de iets kleinere jongen die hem volgde in dezelfde traagheid en mijn aandacht eveneens ving. Mijn oordoppen, waarvan ik de letters L en R zonder bril niet lezen kon, maar die toch pasten. Ik gleed het water in dat verrassend fris en aangenaam was en voegde mij, het sloot zich om me heen, ik was niet weggeweest, niet anderhalf jaar, ik zwom. Ik gaf me over.

Twee banen, dan even uitrusten, de hijgende adem. De armen, de benen, de longen konden het verlangen nog niet bijhouden. Ik merkte: dit heb ik te doen. Net zolang tot ik weer vier, zes, tien, veertig banen, net zolang, ja, tot wat? Meisjes die op de kant strekoefeningen deden, jongens die met hun armen maaiden alsof ze molentjes waren, alles en iedereen ademde water, ademde zwemmen. De middelste banen waren intussen vol met kinderen die baantjes trokken, de een borstcrawl, de ander op zijn rug, een derde met een snorkel, weer een ander met een blok schuimrubber tussen de knieën. Af en toe kwamen ze het water uit, liepen naar het aan de wand geplakte schema, keken erop gingen weer hun gang. Zwemmen, aldoor maar zwemmen.

Ik zwom, wisselde van slag, zwom verder, keerde, zwom, wachtte even, zwom weer door. De man die me inhaalde en net als ik steeds aan dezelfde kant ademde, de vrouw die bij elke uitademing proestte en me na elk keerpunt gebaarde dat ik vóór mocht. De magere jongen die weer op de kant was gaan staan, weer oefeningen deed, zich weer opdrukte tegen de bank. Ik was gaan zwemmen omdat ik had gedacht dat het een goed idee was. Dit was geen idee, dit was een leven dat ik kende en een tijd was kwijt geweest. Ik had er niets tegenin te brengen. Bij de kassa vroeg ik om een twaalfkaart. Thuis pakte ik de agenda, vulde in: tot aan de kerst, twee keer in de week. Ik verheug me op telkens dat ene moment: in het water glijden en me toevertrouwen aan wat al die tijd niet is weggeweest.

we ruimen de boel eens lekker op

Er staan tuinstoelen, dozen vol oud papier. Omgevallen bakjes schroeven, een oude matras, een fietsenrek, een grasmaaier, twee fietsen, een aanhangwagen, alles staat en ligt er en vormt een haast organische barricade waar steeds moeilijker doorheen te komen is. Eergisteren lukte het nog, op weg naar gazonmest. Die ik zowaar vond. De mest was verpakt in plastic maar toch oud geworden, beschimmeld. In de keuken woog ik de zak, die, dat stond erop, een kilo meststof zou moeten bevatten. Hij woog anderhalf, de helft aan vocht erbij. Ik heb het op het gras uitgestrooid en kijk nu elke dag even naar het resultaat. Ik zie weinig gebeuren.

Ooit was ik er vaak te vinden, in de weer met de zaagmachine en de vlakbank, maakte kastjes van resten hout. Zette stelen aan hamers en bijlen, sleep mijn beitels, maakte een werkbank of een zaagbok. Ik hield van de geur van vers geschaafd vurenhout, van vers gezaagd multiplex. Ik hield van een rechte zaagsnede met een scherpe zaag, helemaal door de plank heen of tot halve diepte, bijvoorbeeld om een houtverbinding te maken. Ik hield van het snijden van een scherpe beitel door zacht hout, van het opruwen met grof en naschuren met fijn schuurpapier. Ooit maakte ik een kozijn van merbau, een hele harde houtsoort. Het duurde lang, het zagen ging moeizaam, het steken traag. Het woog zwaar, er liep rood vocht uit, het rook naar oud bos.

Sommige oudere mannen gaan kleinere dingen maken, als ze vroeger grote dingen maakten. Ik weet een man die molentjes maakte die in tuinen pasten. Hij, timmerman, gewend aan daken, vloeren en kozijnen, boog zijn vak om naar een hobby. Er stonden misschien wel tien molentjes in zijn tuin die allemaal draaiden als het woei, het waren mooie molentjes, goed gemaakt ook. Als je stil bleef staan kon je zien dat het allemaal verschillende molentjes waren, waarschijnlijk had de man bij elke molen een verhaal, over waar deze of die een replica van was, en of het een houtzaagmolen of een korenmolen betrof, een grondzeiler, een buitenkruier of een spinnenkop. Aan watermolens deed hij niet. Alles woei met de wind.

Maar niemand stapte van zijn fiets, niemand vroeg. Op een dag is de man opgehouden. Misschien omdat zijn tuin vol was, misschien omdat al zijn familieleden een molentje hadden. Misschien ook omdat de natuur onoverwinnelijk is, het hakken en zagen steeds moeilijker wordt. Zijn schuur slibde dicht met dozen, met tuinstoelen. Zijn schaven werden roestig, zijn beitels bot. We kunnen wel van alles willen maar nooit altijd. Het houdt een keer op. Zou het nog lukken, vraag ik me af, om op een zaterdagmorgen in oktober, als onverwacht de zon uitbundig schijnt en de herfststorm luwt, de deur van de garage open te doen en te zeggen: kom, we ruimen de boel eens lekker op?

vergeten worden is nooit ver weg

Ik zit te wachten. Vandaag komt, dat hebben ze beloofd, de introductiemail van Editio. Ik heb me opgegeven voor een schrijfcursus bij die club. Bloggen, door Jan van Mersbergen. Je kreeg korting als je je voor de zomer alvast inschreef. De korting kreeg ik meteen, nu de cursus nog. Zes weken Blog, ik mag er wel ruimte voor in de agenda gaan maken, bedenk ik, het wordt nog druk, nu ‘alles’ weer begint: de redactievergaderingen, de cursus, de clubs. Gisteren heb ik maar eens even van me laten horen, ik ben altijd bang om vergeten te worden. Als het eten wat langt duurt in een restaurant, als ik niet regelmatig mailtjes krijg van een schrijfcursus, de gedachte aan vergeten worden is nooit ver weg. We beginnen morgen, was het antwoord, vandaag komt de eerste mail. Ik zit erop te wachten. En tijdens het wachten komt de mail. Direct er achteraan een tweede. Ze zijn me niet vergeten.