Het is mooi weer. De zon schijnt over het schitterende water van de vijver. Tammo en ik spelen met een balletje. Lange lijn aan Tammo, want stel je voor, een poesje verderop, het loopse hondje van de buren… Afspraak is: ik gooi, Tammo wacht. Dan zeg ik ‘apport’ en Tammo apporteert. Dat het in de praktijk wel eens anders gebeurt is Tammo’s zorg niet. Ik vraag me intussen ernstig af of Tammo wel geschikt is om te apporteren. Enfin, we spelen lekker door.
Op een gegeven moment gooi ik de bal over de vijver. Tammo, in zijn enthousiasme toch al vol met adrenaline, bedenkt zich niet. Springt hup, zo de vijver in. En dan realiseert hij zich pas wat hij gedaan heeft. Kijkt eens om, denkt eens na, ploetert een beetje en zwemt naar de overkant. Klauwt eruit tegen de overstekende rand van de vlonder. Schudt zich uit. En haalt het balletje.
We hebben er niet meer over gesproken.
Twee uilen. Ik zag ze toen ik vanavond de oprit opkwam, terug van Tammo uitlaten. Het was al donker, maar nog niet onherkenbaar. Van onder de bomen was het nog een beetje licht in de lucht. De dunne maansikkel scheen genoeg bij. Ik deed het tuinhek open. Gewaarschuwd door het klingetje van staal op staal vloog een uil op uit een boom en ging op de nok van het dak zitten. Een tweede uil vloog ook op. Van allebei hoorde ik het klappen van de trage vleugelslagen: flap – flap – flap. De tweede wilde naast de eerste gaan zitten, op de nok. Nummer één vloog precies op dat moment weg. In dat wegvliegen waren ze een ogenblik samen, flapflapflap. Eén beweging, één silhouet tegen de voorjaarsnachtlucht. Was het paren? Ik weet het niet. De ene uil stak de weg over en verdween in de verte. De andere zocht een boom in de tuin, donker tegen de donker wordende lucht.
Ransuilen, denk ik. Verbazend dat die kleine lijfjes zulke brede vleugelslagen hebben. En dat je ze hoort vliegen: flapflapflap.
Ik spaar magische momenten en heb er weer eentje bij.
Honden en water, een lekker stel. Denk je. Voor Tammo ligt dat nét even anders (zoals wel meer dingen bij hem nét even anders zijn).
Vanaf zijn eerste dag bij ons was water drinken een beetje vreemd. Zo’n grote bak met dat spiegelende water, hij kon zich leukere hobby’s voorstellen. Dus: de hele dag niet drinken en dan ineens, door dorst gedreven, de hele bak in één keer leeg. Een flinke boer en klaar was Tammo. In elk geval tot de volgende avond. Zo keek hij dan ook.
Na een paar weken ging hij toch een beetje wennen aan die schone bak met dat heldere water en werd drinken minder eng. Nog steeds speelt dat gedrag op, als de zon schittert in zijn drinkbak. Of als hij in een restaurant een vreemde bak krijgt. Hij lebbert het liefst smerig water uit sloot en plas. Een wandeling door de velden is niet compleet als Tammo niet van alle zestien geultjes, prieltjes, modderkuilen en trekkersporen geproefd heeft. Raggen bij het Stenen Hoofd en dan drinken uit het IJ.
Zwemmen is aan hem ook niet besteed. Op de puppycursus gingen we mee het water in. Hij op de arm, ik tot aan de knieën in het koude water bij het Zaandamse Jagersveld. Langzaam laten zakken. Spartelen dat hij deed, en piepen! En zodra hij grond onder de voeten voelde werd de vierpootaandrijving ingezet in de hoogste versnelling richting wal. Het liefst nog wat verder, weg van dat enge water.
In het Lauwersmeergebied begon het tij een beetje te keren. Hij zag dat water ook leuk kon zijn om in te rennen. Als je maar pootjes aan de grond hield. Nu is een rondje IJsbaan leuk omdat hij met de voorpoten in de sloot durft om takjes uit het water te halen. Takjes buiten bereik blaft hij naar zich toe.
Sinds afgelopen weekend heeft hij de vijver herontdekt. Half erin, en dan proberen om de groene sliertjes Spyrogyra te vangen. Zijn ze te ver, dan klauw je met je vrije poot net zo lang tot ze naar je toe komen drijven. Blaffen van de spanning! Want spannend is het, met de voorpoten op de gladde helling in het water, met de achterpoten op vaste wal. Die nat wordt. En glibberig. Hij trilt dan over zijn hele lijf. En ik sta er naast. Hopen dat het misgaat.
Je moet Tammo ook geen potlood geven. Maar toch: heel knap, precies middendoor. En de stukken zijn nog heel.
Gordijnen open. Het blauwste blauw, de witste wolken. De zon knalt erin. Nog geen blad aan de bomen, het licht ongefilterd. Kale stammen, keihard contrast. Beng! Voorjaar in optima forma.
Timmerlieden hoog op het dak, ze roepen van het ene dak naar het andere. Zagen, kloppen, schroeven, we zullen weten dat er gewerkt wordt! Verderop is een megagrasmaaier bezig. Maaien en opzuigen in één keer, grote maaibalk, grote vangbak. Er past wel een voetbalveld in, qua gemaaid gras. Als een strijkbout gaat de balk van rechts naar links en weer terug. Het stoppelveldje wordt een biljartlaken. Overmorgen wordt de Vredesboom geplant en als de burgemeester komt moet het veld er mooi bij liggen. Aan de overkant zijn jongens bezig met de laatste snippertjes van de speeltuin. De afgelopen weken zijn er tientallen bomen gerooid en gesnoeid en geknot. Het onland wordt avonturenpark. Met een paadje buitenom en boomstammen over de sloot. Dat wordt wel wat, hier in het dorp. Een park, een speeltuin, een boom.
Wij gaan boodschappen doen, het mooie weer vraagt om actie. Krentenbollen, schroefjes om de lamp aan op te hangen.
Na de boodschappen loop ik een nieuw pad. Tammo is er al geweest, ik niet. Rasquert uit, buitenom de ijsbaan, het spoor over. Bosje in, bosje uit, langs oude boerenerven. Voor een jachthond als Tammo de hemel op aarde. Hij zwenkt en zwalkt en rukt en trekt, vliegt alle kanten op, neus aan de grond, snufsnufsnuf. De drift is niet te temmen. Nog even de schelpenpaadjes, dan naar huis. Hee, daar loopt Agnes met Krul. Een dag zonder Krul is een dag niet geleefd, dus hup, auto aan de kant en spelen. Koffie?, zegt Agnes. Vooruit, dan kunnen ze langer spelen. Thuis in de bench, slapen. Uren, denk ik dan. Maar nee hoor, na drie kwartier hoor ik: Piep! Eruit, ik wil eruit!
Ja hoor, zegt Sjoerd, hij is er, en wil mij de telefoon geven. Maar ik ben nat van scheren, dat wordt een vieze boel. Wie is dat, zo vroeg op de ochtend? Het is tien over zeven! Nico, zegt Sjoerd, je had er moeten zijn. Oschrik, ik had, eh, maar wat dan, hoezo? Oja, o nee. Het begint me te dagen. Ik dacht rustig aan te doen, maar vergis me een uur. Had er om zeven uur moeten zijn en nu belt hij waar ik blijf.
Schiet maar op, zegt Nico, en kom zo snel als je kan, dan heb je nog een half uur. Dus ik douche in een halve minuut, droog me risras af en hup in de kleren. Tandenpoets voor de vorm en snaai een boterham met jam van het plankje. Hap slik. Wat rest leg ik even op mijn bedauwde fietszadel, als ik het slot losmaak. Hap slik. Intussen is Sjoerd al een rondje plassen met Tammo. Bij de vuilnisbakken kom ik ze tegen. Dag jongens, dag Wouter. Op naar Nico. Onderweg komen auto’s uit onverwachte straatjes, steken voetgangers nog net vóór me over, doemt bij de Haarlemmerhouttuinen een Connexxionbus op uit het ochtendtegenlicht en weet ik: rustig aan, anders worden het brokken. Aan de Willemsstraat zie ik nergens een paal voor aan de fiets. Dus wordt het de muur van de tandarts. Slot erop, straat over (uitkijken!) en naar binnen.
Nico heeft een kopje koffie voor me, kneedt en knijpt mijn schouders en ondertussen kletsen we. Af en toe stop ik midden in een zin, omdat het even niet meer gaat. Klaar, zegt Nico na een half uurtje. Ik drink het staartje koffie, stap op de fiets en ben zó thuis. Tammo ligt in de bench alsof er niets gebeurd is.
Het weer verandert, de zon is eerder op en later onder. Vogels laten weer volop van zich horen, al vóór het opstaan. Mezen in de rij om de nestkastjes te inspecteren. De kleine knopjes in de haagbeuk groeien. Op de kast staat een vaas kastanjetakken, met dikke glimvette knoppen. In de vensterbank een takje forsythia nét in bloei. Over van het snoeien.
Dat snoeien vorige week, dat was me wat! Drie man sterk aan het werk. Geraas van kettingzaag. Het grasveld vol met snoeihout: takken en boompjes. Vandaag alles in anderhalf uur door de hakselaar. Aanhangertje onder de uitlaatslurf en hop, paadjesmateriaal voor de komende weken. En het ruikt zo lekker!
Ik krijg zin in auto wassen en verzet me niet. Tuinslang, emmertje, trap. De spuit erop, iets teveel autoschoonmaakmiddel in de emmer, het schuimt de spons uit! Afspoelen en nog een keer. Stofzuiger. Kruiwagen ernaast voor alle overbodigs. Sleepkabel en driehoek mogen terug. Vooruit, de wegenkaart ook. De rest opruimen en weg. Rubber matten eruit, klopklop, sopsop, en er weer in. Zelfs Tammo’s zwart-witte harentapijt in de kofferbak laat zich stofzuigen. Het is zo simpel: auto wassen op zaterdag, op de oprit. Ik vind het heerlijk!
Er zijn wat laatste Bramley’s Seedlings over van de laatste appeltaart. Sjoerd kookt ze tot moes, toch elk nog een schaaltje vol. Bak er een aardappeltje bij en mij hoor je niet meer.
Groenstrook snoeien. Takkenwerk. Frits met de kettingzaag, buurman en Sjoerd met de takkenschaar en de takkenzaag. Ik coach Tammo. Die wil er voortdurend met zijn grote neus tussen, maar hij is niet echt een bijdrage aan het productieproces. Nu drentelt hij piepend en miepend langs de ramen. Ik ben natuurlijk een vréselijke baas, dat ik hem dit aandoe: binnenblijven als het buiten zo leuk is.
Alles slepen. De bulten worden groter en hoger. Waar komt het vandaan, zou je zeggen. Een boompje is een boompje. Maar als je hem tevoorschijn haalt, blijkt het een heleboel takken bij mekaar te zijn. En dat dan keer honderd. Of tweehonderd.
Maak er een houtwal van, zegt iemand. Dat worden enorme houtwallen, dan zie je geen tuin meer. Verhakselen, zegt een ander. Krijg die verhakselaar daar maar eens in. En uit. In de fik, zegt een derde. Op zeven meter van je huis?
Het wordt verhakselen. We halen een hekje neer, maken een pad en zo moet het maar. Michiel heeft een trekker met een grote hakselaar. Michiel gebeld, hij belt wel terug. Aan het eind van de middag is buurman naar huis, Frits hangt bezweet in een stoel, Sjoerd ook. De enige die er fris tussendoor huppelt is Tammo. Kampioen aandacht krijgen. Lekker nog even stoeien na al dat gesnoei. Als iedereen naar huis is en het eten op, rest tevredenheid. Takkenwerk is leuk!
Wil je iets voor me doen, beste lezer?
Soms moet ik heel erg geeuwen. Ik heb er een gewoonte van gemaakt om aan het einde van de geeuw een woord te zeggen. Niet een woord dat van tevoren bedacht is. Zomaar een woord. Dus dan geeuw ik, en ik geeuw en geeeeuw, en dan komt er een woord. Bijvoorbeeld ‘koekje’. Of Chantal’. Zomaar een woord dat er uit wil. Het kan elk woord zijn. Misschien wel ‘paradigma’. Of een niet bestaand woord: ‘poppeklok’.
We doen het wel eens samen. En dan hebben we altijd een verschillend woord. Soms na elkaar, soms tegelijk.
Mijn vraag is: wil je dat ook eens proberen? En kijken wat er uit komt? Elke dag oefenen, elke dag even doen. Los, spontaan, gemakkelijk. Niet eruit persen, maar vrij laten. Als een duif de vrije lucht in.
En laat me dan weten welk woord er de lucht in gaat. Ik ben benieuwd!
Vroeg op, verhaaltjes in mijn kop. Ik werd wakker en probeerde alle lijntjes en draadjes te onthouden die ik halfslapend bedacht had. Minstens zestien prachtige verhaaltjes waren het, met originele wendingen, mooie zinsmelodieën en gevoelige plots. Het lukte niet, ik moest eruit!
‘Ben je al op?’, zei Sjoerd. Stil, ik moet mijn verhaaltjes niet kwijt. Maar hup, daar liepen ze, met elke stap naar het schrijfblok, voor me uit, van me af, weg. Aan tafel alleen nog een paar woorden.
‘In de Akkerstraat had je altijd een opschrijfboekje op het nachtkastje’, zei Sjoerd. ‘Is dat een idee?’ Ja, dat is een idee. Daar stonden soms ’s ochtends woordjes in die ’s nachts geweldig hadden geleken. In het daglicht bleek het onzin.
Enfin, we zullen zien, het boekje komt er. Eerst de dag. En wie weet een verhaaltje, als het me te binnen schiet.