ik geloof in een rivier
die stroomt van zee naar de bergen
ik vraag van poëzie niet meer
dan die rivier in kaart te brengen
Remco Campert
‘Stroom’ is het thema van de dertiende Gedichtendag die Poetry International en Stichting Lezen Vlaanderen op 26 januari 2012 organiseren. Ik lees het op de site van Taalunieversum, omdat ik de spelling van het woord stucen zoek (fout, het moet zijn: stuken).
26 januari, dat is vandaag. Had ik het eerder geweten, dan had ik mij omringd met schoonheid. Bundels van Vasalis, prachtig van een omslag voorzien door Gerrit Noordzij. Stoere verzamelde werken van Nijhoff en Achterberg. Ontroerende verzamelingen liedjes van Willem Wilmink. Tedere Koplandjes met onvergetelijke titels als ‘het orgeltje van yesterday’ en ‘alles op de fiets’. Ik had gedichten opgezocht die ik ken sinds de middelbare school. Ze uitgeprint en om me heen gehangen, zodat ik feestelijk Gedichtendag had kunnen vieren. Poëtische taartjes er bij van Kuyt (die zag ik laatst in de etalage, in de Utrechtsestraat, toen ik een leeg half uurtje te vullen had; ik had ze willen kopen en iedereen laten zien: kijk eens wat een poëtische taartjes, die eet je niet op, daar smul je van door er naar te kijken! Net als die omslagen van Noordzij. Maar ik moest naar een gelegenheid waar taartjes van Kuyt niet handig waren in de garderobe.). Wat zal ik doen? Alles opzij, me alsnog laven aan alle moois dat poëzie heet?
Straks heb ik een werkafspraak in Het Marnixbad. De teksten bekijken die ik mocht laten aanbrengen: gedichten van Paul Snoek en van Judith Herzberg. Mijn bijdrage vandaag: kijken of de letters nog op hun plek staan, de randjes repareren, zorgen dat ze er goed bijstaan. Als een tuinman de viooltjes.
Wat moet ik zeggen?
Ik ben bij de familie Six op bezoek geweest. Google maar op Jan Six.
In hun huis bevindt zich de collectie Six. Op de vloer, aan de wanden, overal hangt en staat en ligt ruim vier eeuwen familie. Vier eeuwen cultuurgeschiedenis van Amsterdam, en daarmee van Nederland.
De tiende Jan Six, de oude, leidde ons rond. Die geschiedenis zit in het huis. Maar ook in hem: in zijn hoofd, in zijn bestaan. Een groepje van een stuk of zes mensen luisterde geïnteresseerd, stelde soms een vraag. Was getuige van flintertjes van die historie. Want wat kun je zeggen in anderhalf uur?
Nu ben ik een beetje confuus. Niet alleen omdat het zoveel is. Maar ook zo dichtbij, zo persoonlijk.
Daarom enkel dit schilderij, van Pieter Saenredam. Het hangt er gewoon. Niet museaal, niet kunsthistorisch. Het hangt gewoon aan de wand. Er staat geen spotje op, alleen daglicht. Het hangt er voor mij.
Wat moet ik verder nog zeggen?
IJs op beukenblaadjes. Het heeft gevroren. De dorre blaadjes van de bruine beuk, die van zichzelf al opgerold, bros en breekbaar zijn als een nieuwjaarsrolletje, worden ineens nog meer crispy. De ijskristallen glanzen in de ochtendzon! Als je ze aanraakt smelten ze voordat ze kraken. Afblijven dus.
De dag straalt ons tegemoet. En o wat is het stil. Het enige wat ik hoor is het knisperen van mijn schoenen op het licht bevroren betonpad; de pootjes van Tammo in het berijpte gras; en af en toe een knal. Waarschijnlijk een schot van jagers, verderop, bij de dijk. Daar hoeven wij niet heen. Tammo rent dan voor, dan achter me. Als hij maar mag rennen. Het achterlijf slingert ongecontroleerd achter de voorpoten aan. Alsof een kleuter zijn speelgoedautootje aan een touw achter zich aan slingert. Van links naar rechts en weer terug. Ach, de 100 meter hoeft hij niet te winnen. En zo verkent hij wel het hele pad, van sloot tot sloot.
IJs op de sloot, dat kent hij nog niet. Beetje eng, vindt de baas ook, zak er maar niet door, dan moet ik je komen redden. En daar heb ik weinig trek in. De handschoenen mogen wel aan, met zo’n vrieswindje erbij.
Bij een dam strooi ik een overdaad aan kaasblokjes op de grond. Daar is geen hondenwilletje tegen bestand. Schrokschrokschrok, en ik heb beet: aan de riem jij. Even doorlopen, dan halen we net de bus terug. De chauffeur praat niet, hij rijdt. Zet ons keurig af voor aan de straat. Nog even dag zeggen, dan? Maar nee, hij zegt inderdaad niks. Het laatste stukje mag Tammo met de neus aan de grond, snuffelen. Dan de oprit op, langs de beukenblaadjes. Ze staan niet meer in de zon, het ijs is eraf. De droom is gesmolten.
De radio begint zachtjes te praten. Dringt door en niet door. Ik suf wat weg en wakker dan weer aan. Beetje droom, beetje radio. Vroege Vogels. Berichtjes over een crocus in bloei en een groepje putters vermengen zich met opa en oma, Noorderplantsoen. De specht roffelt en roept. In het plantsoen of in de radio? Langzaam wordt het licht in mijn hoofd en wint de dag het van de droom.
Opstaan, de dag lokt. Sjoerd laat Tammo uit, ik zet thee en schuif de gordijnen open. Voorjaarsbloei in prachtig hard winterlicht. Ontbijt en o, o, o, een bak met heerlijke brokken! Tijd voor de grote wandeling: door de velden naar Pieterburen. Tammo mag los en vindt het heerlijk, zijn oortjes dansen als hij rent. Zijn drollen dampen in de winterochtend. Hij blijft goed bij ons, een kort ‘nee’ als hij even afdwaalt is voldoende. Ook bij de zwanen met de najaarskuikens.
In de verte stond ooit een Gronings kasteel: het Dijksterhuis. Van grote schoonheid, met een toren waarop een jonkvrouw niet zou hebben misstaan. Afgebroken in 1903. Ooit woonde er adel, was het een centrum van cultuur en informatie. Waren er intriges, is er een moord gepleegd. Een magisch bosje naast een boerenschuur is wat rest.
Lunch in Pieterburen, kroketten op bruinbrood, stevige kost voor terug. Tammo’s brave gedrag slaat om naar rukken en trekken en hangen aan de riem. Het is wat teveel voor hem. Thuis in de bench slaapt hij een paar uur. Sjoerd gaat naar de haven, boten meten. Hij is havenmeester. Ik, op de bank, trek een dekentje over me heen. Droom zo weg.
Ochtend. De stad, wij en de hond ontwaken. In die volgorde. Tammo komt uit de bench en doet zijn rek- en strekoefeningen. Na afloop van de ochtendwandeling met Sjoerd krijg ik verslag: zo veel en zo vaak, daar en daar. Overdracht van de wacht. Nu is Tammo van mij. Slapen.
Mijn kans om de dag te beginnen. Krant, agenda, mails. Planning maken, eerste telefoontjes. Dan Tammotijd: eten, grote wandeling, lekkere kluif.
Ik plan mijn werk. Vóór Tammo wakker wordt dit, na het eten dat, terug van de wandeling nog nét even dat. Zo vormt zich de dag. Voor mijn conditie is het goed: minimaal 2 uur per dag wandelen. Stevig tempo, Tammo volg! Zakjes paraat. Want als hij moet, dan moet hij. Midden op straat.
Thuis Tammo kluif, ik boterham. Aan het werk. Hij scharrelt, smikkelt, slaapt. Ik ontwerp, regel, bel, mail. Uitkijken over de havens vindt-ie prachtig. Het kleed opeten ook. De hele dag zit vol met kleine correcties: dit wel, dat niet, even wachten. Zitfoeigoedzo! En hij doet het keurig. Binnen beter dan buiten. Minder afleiding, minder geur en geluid.
Nog een wandeling met wat oefeningetjes. Thuis een beetje slapen. En als-ie dan aan het einde van de middag de sleutel in het slot hoort, ligt ineens heel dat hondenbestaan overhoop. Sjoerd komt thuis, dat moet gevierd worden! Alle registers open, blaffen, schreeuwen, springen, o wat zijn we blij! Negeren is het beste, zegt de cursus. Tja.
Tammo is weer van Sjoerd.
Mijn Nederland is tussen de 0 en 2992 meter verwijderd van bebouwing, bevat tussen de 1 en 8 wilde diersoorten en je kan er tussen de 1 en 796 hectare open ruimte zien. Zegt ‘nederlandvanboven’. Conclusie: als het hier waait, dan waait het hard. Piet P. heeft het over ‘zware storm’. Windstoten tot 120 km.
Het raast om ons huis, er bonkt een tak op de vlonder. Grauwe lucht, de avond komt de ochtend tegemoet. Veel ramen, buiten komt binnen. Soms zwiept de regen tegen het glas van de veranda, t meter huisinwaarts. Buitenbadeend zit in zijn hoekje in de vijver en kan er voorlopig niet uit, al zou hij willen. Tegenwind.
De verwarming omhoog. Het huis is dan wel goed geïsoleerd, tegen zoveel natuur zet je een tandje bij.
Sjoerd en Tammo maakt het weinig uit. Ze gingen vrolijk aan de wandel, vanochtend. Ik kreeg een sms van Frits: ‘Je man waait weg’. ‘Red hem’, seinde ik terug, maar Frits vond het te nat. Even later kwamen de heren de oprit weer op. Lekker verwaaid. Tammo knaagt nu op het grote bot dat hij van andere Tammo heeft gekregen.
Sjoerd trekt zijn deken over zich heen. Nog de hele week vakantie. Laat maar lekker waaien.
Tammo heeft zijn vuurdoop gehad: de eerste jaarwisseling is voorbij. En met succes! Natuurlijk was het spannend, natuurlijk schrok hij af en toe. Met name van de zware klappen, die meer met bominslagen van doen hadden dan met vuurwerk. Maar hij kroop niet onder de bedden en blafte de boel niet bij mekaar (dat kan hij wel!). Hij bleef dicht bij ons.
Hij mocht opblijven. Om twaalf uur danste hij met Sjoerd door de kamer. Uiteindelijk viel hij tussen mijn voeten in slaap. Vannacht verraadde zijn gepiep dat hij druk droomde over alle nieuwe ervaringen.
Vandaag moest de energie er nog wel even uit. Een paar lange wandelingen en 100 rondjes door de kamer, toen ging het weer. De rust is teruggekeerd. Sjoerd op de bank, Tammo ernaast, ik aan tafel om de laatste nieuwjaarskaarten te adresseren.
Nieuwjaarsdag zit er op, laat het jaar maar komen!