Jaarlijkse archieven: 2011

50

Sibert Meurs was de eerste hoofdmeester van ons huis, toen nog de Openbare Lagere School Westernieland. Het Gemeentebestuur had gezegd: als u wilt trouwen zetten we er een huis naast.

Sibert en Jannie zijn inmiddels 50 jaar getrouwd. Ze hebben het gevierd en ons uitgenodigd! Ons contact van de afgelopen maanden was voor Sibert aanleiding om allerlei herinneringen uit zijn begintijd in Westernieland aan het papier toe te vertrouwen. Als cadeautje voor de gasten mocht ik er een boekje van maken. Dat is aan het eind van het feest aan iedereen uitgereikt.

Zo gaat Westernieland de wereld in. Ook na 50 jaar!

zoek de verschillen

Kleine bak met grote brokken,
grote bak met kleine brokken.
Zit je even fijn te schrokken.
O, je zal je toch vergissen!

Tammo’s troon

De avond vóór Sint Nicolaas, het regende, ’t was koud,
het haardvuur brandde niet en in de houtbak lag geen hout.
Het hondje moest zo hoesten, het was aak’lig om te zien.
De baasjes met iets bezig, dus geen aandacht bovendien.

Toen moest hij, u begrijpt, het kon niet anders, ik bedoel:
Een welgemikte sprong deed hem belanden in de stoel.
Hij draaide wat en draaide wat en met een diepe gaap
keek hij nog even naar de bazen en viel toen in slaap.

Ach baasje lief, verjaag me niet, ik moet toch ook een plek?
Het liefste hondje van de wereld houdt nu weer zijn bek.
Ik ben zo braaf en hulploos en zo ongelooflijk klein,
laat mij dan op zijn minst een poos een heel lief prinsje zijn.

27 november


27 november 2010. De eerste sneeuw is gevallen. Nog maar pas in de b+b zijn we de koning te rijk, na de kou in de caravan. Papier als beschermlaag op de betonvloer, maar de warmte komt er lekker doorheen. Het oude tafeltje staat in wat later de douche gaat worden en fungeert als keuken, met koffiezetapparaat en broodtrommel erop. Verderop in huis heeft Johan provisorisch een douche gemaakt. Wat al een luxe! Eén raam met enkel glas (zie foto), voor de rest schotten in de kozijnen, die wel de wind maar niet de kou buiten houden. We stoppen steenwolplukken in de kieren tegen de tocht. Het oude Ikea bedbankje slaapt, met een dekbed en een ouderwetse rood met groen geruite wollen deken erop, heerlijk.

 

27 november 2011. Ik bak appeltaart van Bramley’s Seedlings, grote zure appels, gekregen van de buurvrouw. Het stormt buiten en af en toe komt de zon door de wolken piepen met heftig grillig namiddaglicht. Sjoerd is buiten in de tuin, plant beuken, haagbeuken en een sierappel. Tammo is uitgeteld van een wandeling naar de dijk. Kwam terug als monster, ernstig overstuur van de storm en van zoveel vallende blaadjes om achteraan te jagen. Tot over zijn oren onder de vuiligheid. Toen hij zich uitschudde slingerde de klei door de keuken en spatte uiteen tegen de witte muren. Ik zet thee en roep Sjoerd, die, net als Tammo, moeilijk te stoppen is. Het begint te schemeren, ik doe de lampen aan op halve sterkte en een paar kaarsen. De avond daalt, het is tijd om de gordijnen te sluiten. Op de bank ligt Sjoerd onder de rood met groen geruite deken, op het matje ernaast Tammo. Beiden in diepe rust.

jongens waren we

Wij gingen naar Staal. Een voorstelling over jongens.

Moniek Merkx, de regisseur: “Ik wil graag een documentaire voorstelling maken over hoe jongens mannen worden. Tussen 15 en 25 jaar zijn ze in de superkracht van hun leven. Zij zijn de roekelozen, ze durven alles en hebben vaak een sterk lichaam. Maar die kracht mogen ze in het dagelijks leven nauwelijks laten zien. Ze moeten praten, overleggen en onderhandelen en dat vinden ze vaak nogal saai of ongemakkelijk. In Staal zijn jongens stoer, sterk en ongenaakbaar. Hun jongensachtigheid mogen ze in volle glorie inzetten. Maar ze mogen ook klungelen, niet uit hun woorden komen, hangen, onhandig en pijnlijk kwetsbaar zijn. Ze trekken wat mij betreft ook hun camouflagepak uit. Ik vraag me dan nu af of dat troostend is of eerder schaamtevol? Waarschijnlijk allebei.”

Opvallend weinig volwassenen waren er onder het publiek, daar in jeugtheater de Krakeling. Een paar die ik nog kende, van lang geleden. Veel meisjes. En collega-acteurs. Dick van der Toorn (van Loenatik) en Joke Tjalsma (van de Daltons).

‘Jongens waren we – maar aardige jongens.’ Zo opende Nescio zijn prachtige boek Titaantjes in 1915. Dat ging over dromen en wat er van terecht kwam. Dit ging over kracht en kwetsbaarheid, en er mogen zijn.

Ik vond het spannend, vrolijk en ontroerend. En realiseerde me opnieuw dat ik een man ben en een jongen. En 54.

verpletterend

Gisteravond was opera de bedoeling. Elektra van Richard Strauss. Maar ja, kaartjes, waar zijn de kaartjes? Ze lagen daar in dié kast. Maar die kast staat daar niet meer. De hele dag met tussenpozen wezen zoeken. Niente, nada, niets. Uiteindelijk naar de kassa gebeld, ik mocht duplicaten halen. Okee, geregeld, Tammo in de bench.

Op straat zei ik tegen Sjoerd: welke hond is daar zo hysterisch aan het blaffen? Ik terug. Tip van de hondenmeester: laten schrikken. Met een stukje ketting tegen de deur. Het snijdt je door de baasjesziel, maar ja, het moet. Want anders de buurvrouw. Enfin, stil.

We gingen naar de opera. Sjoerd doodkalm, ik met angst en beven. Ojee, Tammo, buurvrouw…

De opera was verpletterend. Eén plaats van handeling: de kerker. Overheersend thema: ontembare haat. Prachtige opbouw van spanning, geweldig om mee te maken in wat ik de top van de wereld noem. We werden er aan het eind zowat uitgeblazen. Zoveel drama, zoveel emotie, zoveel zeggingskracht en volume. Overdonderend applaus volgde.

Post-opera beloning: Sjoerd wit bier, ik rode wijn, samen tacochips met guacamole. In het stamcafé sinds jaren.

Thuis. Tammo. Stil.

1-2-3-

Vraag jonge ouders waar ze het meest over praten… etiegoed en poeptiegoed. Drinktiegoedpiestiegoed. Sinds Tammo’s komst is mijn wereldbeeld op dat gebied aanzienlijk verrijkt.

Tammo is een druk en levendig hondje. Oplettend en aktief. Als hij het druk heeft (en dat is vaak, op een dag) dan heeft hij weinig trek. Een lekkere brok of een plakje worst kan hem dan weinig schelen. Spelen met andere hondjes of een speciale geur aan een plantenbak heeft op zo’n moment een veel hogere prioriteit.

Maar weinig eten zegt niet veel over het andere uiteinde van het hondenlijfje. Op weg naar de winkel moest hij poepen. Dat merk je, hij begint te draaien en zakt door zijn achterpoten. Mensch, wat veel! Dat paste niet in een zakje, dus nog maar één (ik was voorbereid). Op weg naar huis nog een keer. Zoveel voor zo’n klein beest. En toen, ja hoor, perste hij er op het stoepje bij de fietsenmaker nog een vierde zakje uit. Niet vol, maar alles bij elkaar wel een ongelooflijke hoop!

Tammo heeft nog niet gegeten.

piep

Bij het opruimen van de garage kom je de dingen tegen, zo gaat dat.

Lege doosjes, verkruimelende dweilen, veel te veel emmers. Een oude cassettespeler met het luikje open. Het gebroken glas (‘ruim ik later wel op’, dacht ik toen). Je weet weer dat je veel vaker zou moeten opruimen. En dat het veel handiger is om dingen direct weg te gooien. In plaats van jeweetmaarnooit.

Andere dingen waren verloren. Een cd in een opengebarsten hoesje (die helemaal niet in een garage hoort te zijn). De snoeischaar die toch echt op de plank blijkt te liggen, al heb ik al drie keer eerder gekeken. De aardappel die uit de zak gerold is en een eigen leven is gaan leiden. Met prachtig resultaat: de knol verschrompeld, alle energie is naar het licht gegaan, voor wortels en blaadjes.

Ik heb hem op het aanrecht gezet om te fotograferen. Met een beetje gefliebel bleef hij rechtop staan. En kijk, wat een kunst, wat een schoonheid! Hij mag nog even blijven.

 

onderdak

Het wordt tijd. De boel moet onderdak. Het mag dan lekker weer zijn, over twee weken kan het vriezen. Over 9 weken is het nieuw jaar. We hebben ruimte in de garage gemaakt. Spullen aan de kant. De caravan gewassen met de hogedrukspuit, zoals dat tegenwoordig hoort (mannendingen maken veel lawaai, zegt Erwin). En naar binnen. Opgeruimd staat netjes. Hoewel het plein nou wel een beetje erg leeg is, zonder dat gekke alu-ei.

We konden er weken tegenop zien, het was in een halve middag gepiept. Direct ook maar even de wasdroger voor de dag gehaald en aangesloten.

Intussen heeft Tammo zich bekwaamd in het graven van gaten om een kluif in te verstoppen. Met de snuit weer dichtgooien. Kennelijk niet tevreden dus opgraven en opnieuw beginnen. En nog een keer. Telkens een beetje dieper. Niemand heeft hem dat geleerd, hij kan het gewoon!

andere tijden

Met Tammo uit op vuilnisdag. Altijd even met een half oog langs wat er ligt. Wie weet. Ik zie boeken. ‘De ronde van ’43’, door Henri Knap.

En op de straat opent zich een voorbij mensenleven. Auteurs als Simon Wiesenthal, Henk van Randwijk, dr. L. de Jong. Opengewaaid, vochtig. Ontheemd, de baas kwijt. Daartussen ontwrichte Ikea-kastjes, gesloopte luxaflex en oude dweilen. ‘Er komen andere tijden’, zong Boudewijn de Groot. Waar mensen hun hart neerschreven komt nu de vuilnisman. Veegwagentje, klaar.

Wil ik ze hebben? Zal ik ze laten? Ik heb Tammo als excuus, en geen tasje. Ik denk aan Ed Hoornik:

Op school stonden ze op het bord geschreven.
Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
Hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
De ene werklijkheid, de andre schijn.

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
Vervuld worden van goddelijke pijn.

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
Is kind worden en naar de sterren kijken,
En daarheen langzaam worden opgelicht.

Even later kom ik er langs op de fiets, wil een foto maken. Er staan drie mensen. Ze kletsen wat. Ze hebben geen idee.