opruim

De dingen hebben zo hun plek. Daar voel ik me prettig bij. En ik denk: de dingen zelf ook. Vorken bij vorken, messen bij messen. Een schilmesje bij de tafelmessen vind ik goed. Een theelepel bij de soeplepels niet. Alles heeft zijn vakje, alles heeft zijn plek. Mij geeft dat een zekere rust. Noem het raar, ik noem het fijn.

Lepels in het lepelvak, dat spreekt vanzelf lijkt me. Bij mijn schoonmoeder leerde ik in de bestekla een andere wereld kennen. Daar werd hoogstens gesorteerd op groot en klein: wat niet in het kleine vak paste, moest wel in het grote. Omgekeerd gold dat uiteraard niet.

Lepels, messen, vorken, vorkjes, mesjes, lepeltjes, alles leek wel op voortdurende zwerftocht door alle vakken van de la heen, met af en toe even een kort uitstapje naar een tafelkleed, om vervolgens via de afwasteil weer verder te kunnen op misschien een hele nieuwe plek in diezelfde la. Alles was voortdurend op drift, in mijn ogen. Sjoerds moeder had dat niet zo.

Inmiddels ben ik lichtelijk besmet door het Kondo-virus, dat rondwaart door Europa. Ik praat je even bij: Marie Kondo is een jonge Japanse opruimvrouw. Ze doet maar één ding en dat is opruimen. Daar heeft ze een slecht leesbaar boek over geschreven dat verkocht wordt als suikerspinnen op de meikermis. Daar geeft ze cursussen in die het gewicht krijgen van zelfhulppsychotherapie. Ruim je je huis op, dan ruim je je leven op. De cursusmallemolen in Nederland pikt er een graantje van mee.

Kondo zegt: ruim op. Hou waar je blij van wordt. Bedank wat je wegdoet. En leg alle spullen terug waar ze horen. Effectieve samenvatting van het veel te slordige, wijdlopige en omslachtige boek. Heimelijk klinkt mij het als muziek in de oren. Hoewel ik mijn schoonmoeder er nooit over heb aangesproken krijg ik dus postuum gelijk vanuit de andere kant van de wereld.

Mij lachen de stapeltjes in de opgeruimde kledingkast en de rijtjes in de gealfabetiseerde boekenkast in gedachten al toe. Als zonnestraaltjes op diezelfde meikermis. Alles op zijn plek, zou het dan eindelijk lukken? Sjoerd moet wel mee in mijn volgzaamheid, natuurlijk. Maar och, het doel is het waard, fantaseer ik.

Maar wat als straks alles opgeruimd is? Als elke plank veel te groot blijkt te zijn voor de drie truien en vier broeken die er op liggen? Als op elke boekenplank gaten van anderhalve meter ontstaan? Als de messen bij de messen liggen en de vorken bij de vorken? Wat te doen met een zo opgeruimd leven?

Ik heb ineens zin in de botsautootjes.

afgebrokkeld

‘Ging Sjoerd nou in Groningen werken? Waar ook alweer? Oja, in Paddepoel.’ Ze weet het toch nog, op haar tweeënnegentigste.

‘Paddepoel. Vroeger was daar niks. Je had het spoor en daarachter was niks. Na het eten ging moeder rusten en vader ging wandelen. De jongens en ik mochten mee, dat vonden we leuk. Dan gingen we langs het nieuwe kanaal lopen, door Paddepoel. Vader vertelde ons over de natuur.’ Ze zit op haar praatstoel, vader en de jongens zijn altijd een dankbare bron van inspiratie. Met moeder en de meisjes had ze duidelijk minder Anschluss.

‘Het nieuwe kanaal’, zei ze, ‘daar had je een nieuwe walkant, van stenen. Daar is Klazientje Pluis verdronken. Ze had haar kousjes en haar schoentjes uitgedaan. De walkant is afgebrokkeld en het water in gegleden. En Klazientje ook.’ Ineens, zomaar uit het niets, weet ze het. Glashelder.

Op internet vind ik Klazientje. ‘Heden den drie en twintigsten mei negentienhonderd drie en dertig verschenen voor mij, Ambtenaar der Burgerlijken Stand der Gemeente Groningen: Hindrik Louwe de Jonge, oud zevenenveertig jaren, administrateur wonende te Groningen, en Taeke Henstra, oud drieënvijftig jaren, klerk, wonende te Groningen, die verklaarden dat op den tweeëntwintigsten mei dezes jaars, des namiddags te kwart voor twaalf, in deze gemeente is overleden Klazina Pluis, oud tien jaren, zonder beroep, geboren en wonende alhier, dochter van Jan Albertus Pluis, sigarenmaker, en van Martje Zuidema, zonder beroep, beiden wonende alhier. Waarvan akte, welke is voorgelezen, T. Henstra, H.L. de Jonge, J.J. Wolff.’

Na meer dan drieëntachtig jaar gedenken we Klazientje Pluis. Ze is het nieuwe kanaal ingegleden. Ze had haar kousjes en haar schoentjes uitgedaan.

vouw

Mijn ouders hadden een boek- en kantoorboekhandel. En een tijdje ook nog een aparte speelgoedwinkel. Ze verveelden zich niet, zal ik maar zeggen. Omdat ik een knutselkind en een leeskind was, was er voor mij altijd wel iets te vinden, boek of knutsel. Ik herinner me toverbloks: bloks met witte vellen en als je er met een (kleur)potlood overheen ging, verscheen er een afbeelding. Wat een verrassing! Toen ik doorkreeg dat je, als je schuin over het blad keek, de afbeelding al een beetje in glim en niet-glim kon zien, was de pret er af. Maar tot dat moment was een toverblok magisch.

Vouwblaadjes ben ik altijd blijven waarderen. Van die verse vierkante pakjes, onaangeraakt, een klein stapeltje van dezelfde kleur en daarop dan weer een stapeltje van een andere kleur. Een heel pakje vol zachte zoete kermiskleurtjes. Een voorblad met afbeeldingen van wat je er allemaal mee kon maken (ondoenlijk, bleek in mijn kinderpraktijk). Cellofaan er omheen. Mij kon je geen groter plezier doen dan zo’n pakje geluk. Als winkelkind wist ik dat twintig van die pakjes op elkaar van een zo mogelijk nog grotere schoonheid waren. Maar ook onhoudbaar. Want ze werden verkocht, pakje voor pakje. Dus het beste wat ik kon hebben was één pakje. En de herinnering aan die hele stapel.

Laatst was ik met Sander in een tot eetgelegenheid omgebouwde plantenkas in de bossen bij ‘s Graveland. Biologisch-dynamisch. Er lagen kleurpotloden op tafel voor de kinderen. En vouwblaadjes! Terwijl Geert Mak en Dieuwertje Blok een tafeltje verder iets aan het beraadslagen waren over het Sinterklaasjournaal of de levens van Jan Six, maakte ik kraanvogels. Het hoofd was vergeten hoe het moest maar de handen wisten het nog prima.

schaam

Als je nog niet weet wat plaatsvervangende schaamte is, neem dan een oude moeder. De mijne vertelt wekelijks verhalen waar ik het schaamrood van op de kaken krijg. En zonder gêne, hoor.

Vandaag ging het over de verzorgster met de tattoos. Armen van de pols tot aan de schouder. Had ze gekregen voor haar verjaardag.

‘Ik snap dat niet’, had mijn moeder gezegd. ‘Wouter wou ook een tattoo maar ik heb hem er vanaf gepraat’. En: ‘Wie heeft jou hier aangenomen?’

Mam, mam, dat zég je toch niet? Nou, kennelijk wel.

ik zou…

Ik zou een verhaaltje kunnen schrijven…

over een lange regenachtige en winderige autorit, na een inspirerend maar ook wel vermoeiend weekend. Dat je, op weg naar huis, onderweg even uitstapt en bij lieve vrienden een hapje gaat eten, en helemaal aan dat hapje eten toe bent.

Over één voet buiten de auto, voorzichtig in de berm, en dat je schoen dan net iets dieper wegzakt in de modder, en dat die modder net wat soppiger aanvoelt dan je had gedacht, en dat je eigenlijk al een beetje spijt hebt, want je mooie suede schoenen zijn nu al niet zo mooi meer, en de modder komt tot boven de rand van de zool, op het zachte kwetsbare leer.

En dat dan, tussen het gekletter van de regen en het geraas van de bomen in de wind, een hoog tsjilpend geluid tot je doordringt en je langzaam maar onontkoombaar doorkrijgt dat je onder een boom staat met 10.000 spreeuwen. En dat die modder geen modder is maar een dikke laag spreeuwendrek. En dat dat dus is wat aan je mooie suede schoenen zit. En dat je het ook ineen begint te ruiken, een merkwaardige allesdoordringende mengeling van zoet en ammoniak. En dat je ziet dat je auto al snel van kleur verandert. En van substantie. En niet alleen je auto…

En dat mensen zeggen: ik zou mijn auto hier niet neerzetten.

En dat je dan weer in die drek moet stappen om in de auto te komen en dat die geur inmiddels ook ín de auto zit en aan je trui en aan je schoenen.

En dat je op de terugweg af en toe aan het zakje muffins ruikt dat je van je vrienden hebt meegekregen, omdat je niet weet hoe je anders die geur uit je neus krijgt. En dat je onderweg zou willen stoppen en die vieze schoenen weg zou willen gooien, uit de auto, en de automat ook, en alles wat er naar ruikt. Maar het is donker en je kunt het niet goed zien. En bovendien waait het hard en het regent pijpenstelen.

En dat je thuis de mat uit de auto gooit in de regen, zomaar op straat en je suede schoenen buiten bij de voordeur laat staan uit angst dat die geur ook in huis komt en dat je, ook al is het midden in de nacht, nog een muffin opeet omdat die zachtzoete wintergeur tenminste helpt.

En dat je de volgende dag geen zin hebt om die schoenen schoon te maken want dan moet je weer aan die drek zitten, weliswaar met een borstel, maar toch.

Nou, zo’n verhaal.

En dat het dan ook echt gebeurd is
en dat de mensen een beetje medelijden hebben, maar ook grinniken van de viezigheid
en de dommigheid

en dat ze dan toch de eerste dagen maar even geen muffin eten…

halve van Amsterdam

Gisteren liep ik de halve marathon van Amsterdam. Mijn eerste halve, en met een ongebruikelijk trainingsschema van Koen de Jong: nooit meer dan 10 km trainen en toch 21,1 lopen. 

Ik startte rustig en heb dat het grootste gedeelte van de loop volgehouden. Op de Churchillaan stond Roel als morele ondersteuning. In de Watergraafsmeer was Erik de oppepper en in de buurt van het Rijksmuseum kwam de spanning van het laatste stukje al wat in beeld. In het Vondelpark (waar Caroline me stond aan te moedigen) ging het al wat harder en om de hoek, de Amstelveenseweg op, rook ik de finish. 

Ik weet nu wat het is: op vleugels. Ik haalde op het laatst nog een hele meute in. Blij over de finish en tevreden met mijn tijd. Sjoerd zat op de tribune van het Olympisch Stadion, was er getuige van en maakte een foto. Ik draag een wit shirt met de tekst: Als je lichaam verandert, verandert je denken. 

Daarna tomatensoep bij Koen en pasta thuis. En slapen. Veel slapen.

maat

Ik zie ze weinig de laatste tijd: mannen met een broek die past. De jeugd draagt afzakbroeken met het kruis ergens tussen de knieën. Veel stof, weinig vorm, zal ik maar zeggen. Mannen van middelbare leeftijd wagen zich ook al niet meer aan maatwerk.

Tot vanmiddag bij Albert Heijn.

Ik wist niet wat ik zag en verzette me niet tegen de neiging nog even bij de vleeswaren te blijven ronddolen, terwijl een jongeman zijn lijstje afwerkte. Negentien, schat ik, slank en vrij lang. Zijn helgroene broek was niet te klein, maar zeker ook niet te groot, zodat zijn billen strak maar soepel omsloten werden.

Zijn lome tred accentueerde de zachte deining, die hijzelf niet kon waarnemen maar voor oplettende kijkers niet te ontkennen viel. Zeeziek zou je er van kunnen worden.

Ik besloot de keuze tussen gekookte en gegrillde ham nog even uit te stellen. Hij kwam weer langs. ‘Voor bier gaan we naar de Jumbo’, zei hij tegen zijn studiegenoot. Even overwoog ik bier te kopen. Maar nee, ik rekende mijn magnetronmaaltijd af en liep over de Westerstraat naar huis.

Zacht deinend.

zingen

De oude tante. Een hersenbloeding, nog wat factoren, en ze kwam er niet meer bovenop. Dik zesentachtig.

Op een hete middag hebben we haar begraven in Leens, waar mijn familie vandaan komt. Vanuit de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt aan de Valgeweg. Een jaren zeventig soort-van-schuur, met slechtgevoegde steenstrips aan de wand en een schrootjesplafond. Het zong stroef, met een tegenstribbelende organist. De preek ging uiteraard over de lasten van dit leven en bij Jezus zijn.

Neefje en nichtje gingen bij de microfoon staan, een cd’tje aan met enkel piano. En toen gebeurde het. Ze gingen zingen. Schoon, droog, zonder opsmuk. ‘Veilig in Jezus’ armen, veilig aan Jezus’ hart’. Zij begon, en hij nam het over. Zij schoof naar de tweede stem. Het mengde mooi en in heel die kale toestand kwam vlees en bloed.

Het ging een beetje jeuken tussen mijn schouderbladen en de eerste traan diende zich aan.

Neefje twee vouwde zijn papieren uit en ging vertellen over tante’s leven. Van coupeuse naar maatschappelijk werk, van Leens naar Leiderdorp. Haar betrokkenheid bij anderen, later de zorg voor haar ouders, terug in Leens. Neefje stopte even. Hij slikte, en bij mij jeukte het weer. Traan twee.

Toen nam de kaalheid het weer over. De kerk uit, de straat op, op weg naar de groeve. We liepen, we hebben haar begraven. Het Onze Vader voor wie wou. Koffie, cake, naar huis.

Dank neefjes, dank nichtje, voor het respect. Dank voor zoveel vlees en bloed. Voor zoveel brood en wijn.

pruimen

De Streekhof is een hobbykwekerij. Het staat er echt. Open op vrijdag- en zaterdagmorgen. Je mag zelf plukken wat er te plukken is. En afrekenen. Heel betaalbaar. Ik mee, pruimen plukken. Wel een beetje snel graag, het bezoek komt zo.

Al snel werd ik langzaam. Ik liep met een emmertje de boomgaard in en dwaalde af. Hier een pruim, daar eentje, oja, daar ook. Er hingen er zoveel, ik kon rustig kijken en voelen en plukken of toch even doorlopen. Al wandelend en kijkend liep ik zo het verleden binnen, de geur van vers fruit zal er bij geholpen hebben, de witte wolken die in hoge snelheid langs de knalblauwe lucht schoven ook.

Pruimen, dat was september, nazomer. Nog net geen herfst maar wel na de zomer, wel nog warme dagen maar het eerste najaarsvocht hing alweer in de lucht. Boeken kaften, de tas klaar voor school. Harde wind, eerder donker. Je wist, iets is voorbij. En al komt er iets anders, dat ene, warme, volle, dat is geweest en we moeten het er mee doen tot volgend jaar. Natuurlijk kon je jam koken en er in de winter van eten. Maar dat haalde het niet bij verse pruimen, zo van de boom. Ik nam een hap.

Waar blijf je nou, zei Sjoerd, het bezoek komt zo.

Oja, zei ik en ik mompelde iets over de mooiste pruimen en allemaal rijp. Vijf kilo, zei de weegschaal. Zeven vijftig, zei de hobbykweker. Wij waren op tijd, het bezoek ook.

Even later stond ik, met bezoek en al, weer bij de hobbykweker. Pruimen graag.