met of zonder

Mijn kies wordt gerepareerd. ‘Dat voelt zeker als een groot gat?’, vraagt Frank, de tandarts. ‘Ja’, zeg ik, ‘als een heel groot gat’. ‘Valt mee’, zegt hij, ‘er is een brokje van een kies af, een klein bultje maar, dat wordt een kleine vulling. Met of zonder?’. ‘Als het zonder kan, dan maar zonder’, zeg ik. ‘Valt mee’, zegt Frank nog een keer en hij begint. En ik moet zeggen: het valt mee. Stapje voor stapje praat hij me door de behandeling heen. Een beetje afvlakken, een beetje opruwen, drogen (want composiet en vocht gaan niet samen). Watje hier, watje daar. Bandje er omheen, aanschroeven, vulling aanbrengen, drogen, beetje bijwerken en klaar. Ik zag er wel wat tegen op, net twee weken bij een nieuwe tandarts en nu al een dijk van een gat. Maar het valt mee, het kleine brokje is goed gevuld en Frank en ik kunnen het vanaf nu goed vinden. Zonder verdoving sta ik na twintig minuten weer bij de auto. Stine ligt lekker te slapen, achterin.

vroeg op

Vroeg op betekent: buiten donker. Ik zie geen hand voor ogen, de tuin in. Ik sliep wat onrustig, kennelijk was ik al bezig met opstaan, de halve nacht. Vier uur, vijf uur, kwart over vijf, enzovoort. En dan toch voor de wekker van zes uur wakker zijn, ik mag mezelf wel een compliment geven dat het zo goed gaat, dat matineuze.

Ik kan me als jongen niet herinneren dat ik vroeg opstaan leuk vond. Op de middelbare school had mijn moeder de grootste moeite om mij op tijd uit bed te krijgen. Mijn schoolvriendje Kees, een buitenkind, kwam een aantal kilometers op de fiets naar mijn dorp, parkeerde op ons binnenplaatsje en kwam soms zelfs aan mijn bed staan om me te wekken. De elektrische belinstallatie, die ik zelf had aangelegd, met een drukknopje bij het bed van mijn moeder en een harde bel op de overloop bij mijn slaapkamer, had dan dus al gefaald.

Nu sta ik op met groot gemak, ga heerlijk (koud) douchen en zit elke dag om zes uur, half zeven aan de schrijftafel. Het gaat me goed af. Ik heb er plezier in. De ordening, de rust, de ruimte om me heen, daar geniet ik van en daar floreer ik in. Als scholier gebuikte ik zo de late avond: nog lang ongestoord lezen, huiswerk maken, tot diep in de nacht. Lekker doorwerken en dan naar bed.

Als kind: lezen onder de dekens, zaklantaarntje aan. Radio zacht op Candlelight of op een hoorspel. Paulus de Boskabouter bijvoorbeeld.

Afgebrokkeld

‘Ging Sjoerd nou in Groningen werken? Waar ook alweer? Oja, in Paddepoel.’ Ze weet het toch nog, op haar tweeënnegentigste.

‘Paddepoel. Vroeger was daar niks. Je had het spoor en daarachter was niks. Na het eten ging moeder rusten en vader ging wandelen. De jongens en ik mochten mee, dat vonden we leuk. Dan gingen we langs het nieuwe kanaal lopen, door Paddepoel. Vader vertelde ons over de natuur.’ Ze zit op haar praatstoel, vader en de jongens zijn altijd een dankbare bron van inspiratie. Met moeder en de meisjes had ze duidelijk minder Anschluss.

‘Het nieuwe kanaal’, zei ze, ‘daar had je een nieuwe walkant, van stenen. Daar is Klazientje Pluis verdronken. Ze had haar kousjes en haar schoentjes uitgedaan. De walkant is afgebrokkeld en het water in gegleden. En Klazientje ook.’ Ineens, zomaar uit het niets, weet ze het. Glashelder.

Op internet vind ik Klazientje. ‘Heden den drie en twintigsten mei negentienhonderd drie en dertig verschenen voor mij, Ambtenaar der Burgerlijken Stand der Gemeente Groningen: Hindrik Louwe de Jonge, oud zevenenveertig jaren, administrateur wonende te Groningen, en Taeke Henstra, oud drieënvijftig jaren, klerk, wonende te Groningen, die verklaarden dat op den tweeëntwintigsten mei dezes jaars, des namiddags te kwart voor twaalf, in deze gemeente is overleden Klazina Pluis, oud tien jaren, zonder beroep, geboren en wonende alhier, dochter van Jan Albertus Pluis, sigarenmaker, en van Martje Zuidema, zonder beroep, beiden wonende alhier. Waarvan akte, welke is voorgelezen, T. Henstra, H.L. de Jonge, J.J. Wolff.’

Na meer dan drieëntachtig jaar gedenken we Klazientje Pluis. Ze is het nieuwe kanaal ingegleden. Ze had haar kousjes en haar schoentjes uitgedaan.

Schaam

Als je nog niet weet wat plaatsvervangende schaamte is, neem dan een oude moeder. De mijne vertelt wekelijks verhalen waar ik het schaamrood van op de kaken krijg. En zonder gêne, hoor.

Vandaag ging het over de verzorgster met de tattoos. Armen van de pols tot aan de schouder. Had ze gekregen voor haar verjaardag.

‘Ik snap dat niet’, had mijn moeder gezegd. ‘Wouter wou ook een tattoo maar ik heb hem er vanaf gepraat’. En: ‘Wie heeft jou hier aangenomen?’

Mam, mam, dat zég je toch niet? Nou, kennelijk wel.

Ik zou een verhaal kunnen schrijven…

... over een lange regenachtige, autorit naar huis, na een lang en druk weekend. Dat je onderweg even uitstapt, bij lieve vrienden een hapje gaat eten, en helemaal aan dat hapje toe bent.

Dat je één voet buiten de auto zet, voorzichtig in de berm, en dat je schoen net iets dieper wegzakt in de modder, en dat die modder net wat soppiger aanvoelt dan je had gedacht, en dat je eigenlijk al een beetje spijt hebt, want je mooie suède schoenen zijn nu al niet zo mooi meer, en de modder komt tot boven de rand van de zool, op het zachte kwetsbare leer.

En dat dan, temidden van het gekletter van de regen en het geraas van de bomen in de wind, een hoog tsjilpend geluid tot je doordringt en je langzaam maar onontkoombaar doorkrijgt dat je onder een boom staat met tienduizend spreeuwen. En dat die modder geen modder is maar een dikke laag spreeuwendrek. En dat dat dus is wat aan je mooie suede schoenen zit. En ineens ruik je het ook, een merkwaardige allesdoordringende mengeling van zoet en ammoniak. En dat je ziet dat je auto al snel van kleur verandert. En niet alleen je auto…

En dat mensen zeggen: ik zou mijn auto hier niet neerzetten.

En dat je dan weer in die drek moet stappen om in de auto te komen en dat die allesdoordringende stank inmiddels ook ín de auto zit en aan je trui en op je schoenen.

En dat je op de terugweg af en toe aan het zakje muffins ruikt dat je van je vrienden hebt meegekregen, omdat je niet weet hoe je anders die weeë stank uit je neus krijgt. En dat je onderweg zou willen stoppen en die vieze schoenen weg zou willen gooien, uit de auto, en de automat ook, en alles wat naar spreeuwendrek ruikt. Maar het is donker, het waait hard en het regent pijpenstelen.

En dat je thuis de mat uit de auto gooit in de regen, zomaar op straat en je suede schoenen buiten bij de voordeur laat staan uit angst dat die stank ook in huis komt en dat je, ook al is het midden in de nacht, nog een muffin opeet omdat die zacht-zoete wintergeur tenminste helpt tegen de walging.

En dat je de volgende dag geen zin hebt om die schoenen schoon te maken want dan moet je weer aan die drek zitten, weliswaar met een borstel, maar toch.

Nou, zo’n verhaal.

En ik zou kunnen zeggen dat het ook echt gebeurd is

en dat mensen die het horen een beetje medelijden hebben, maar ook grinniken van de viezigheid en de dommigheid.

En dat ze dan toch de eerste dagen maar even geen muffin eten…

Maat

Ik zie ze weinig de laatste tijd: mannen met een broek die past. De jeugd draagt afzakbroeken met het kruis ergens tussen de knieën. Veel stof, weinig vorm, zal ik maar zeggen. Mannen van middelbare leeftijd wagen zich ook al niet meer aan maatwerk.

Tot vanmiddag, bij Albert Heijn.

Ik wist niet wat ik zag en verzette me niet tegen de neiging nog even bij de vleeswaren te blijven ronddolen, terwijl een jongeman zijn lijstje afwerkte. Negentien, schat ik, slank en vrij lang. Zijn helgroene broek was niet te klein, maar zeker ook niet te groot, zodat zijn billen strak maar soepel omsloten werden.

Zijn lome tred accentueerde de zachte deining, die hijzelf niet kon waarnemen maar voor oplettende kijkers niet te ontkennen viel. Zeeziek zou je er van kunnen worden.

Ik besloot de keuze tussen gekookte en gegrillde ham nog even uit te stellen. Hij kwam weer langs. ‘Voor bier gaan we naar de Jumbo’, zei hij tegen zijn studiegenoot. Even overwoog ik bier te kopen. Maar nee, ik rekende mijn magnetronmaaltijd af en liep over de Westerstraat naar huis.

Zacht deinend.

Zingen

De oude tante. Een hersenbloeding, en nog één. Ze kwam er niet meer bovenop. Dik zesentachtig.

Op een hete middag begraven we haar in Leens, waar mijn familie vandaan komt. Vanuit de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt aan de Valgeweg. Een jaren zeventig soort-van-schuur, met slechtgevoegde steenstrips aan de wand en een schrootjesplafond. Het zingt stroef, met een tegenstribbelende organist. De preek gaat over de lasten van dit leven en bij Jezus zijn.

Neefje en nichtje gaan bij de microfoon staan, een cd’tje aan met enkel piano. En dan gebeurt het. Ze gaan zingen. Schoon, droog, zonder opsmuk. ‘Veilig in Jezus’ armen, veilig aan Jezus’ hart’. Zij begint, en hij neemt het over. Zij schuift naar de tweede stem. Het mengt mooi en in heel die kale toestand komt vlees en bloed.

Het gaat een beetje jeuken tussen mijn schouderbladen en de eerste traan dient zich aan.

Neefje twee vouwt zijn papieren uit en gaat vertellen over tante’s leven. Van coupeuse naar maatschappelijk werk, van Leens naar Leiderdorp. Haar betrokkenheid bij anderen, later de zorg voor haar ouders, terug in Leens. Neefje stopt even. Hij slikt, en bij mij jeukt het weer. Traan twee.

En dan neemt de kaalheid het weer over. De kerk uit, de straat op, op weg naar de groeve. We lopen, we begraven. Het Onze Vader voor wie wil. Koffie, cake, naar huis.

Dank neefjes, dank nichtje, voor het respect. Dank voor zoveel vlees en bloed. Voor zoveel brood en wijn.

Gieser Wildeman

Kerst is: stoofperen. Gieser Wildeman, een kist vol voor twee euro, bij Gerrit, de hobbykweker. Onder het rimpelige schilletje zijn ze gaaf. Beppe schilt. Dat doet ze graag. Als ze schilt, schilt ze door.

Ik doe intussen de appels (Bramley’s Seedlings, de koningin van de appeltaart). Onder het schillen praat het prettig. Dan heb je het over Ineke, die een baby heeft, en over buurman Eisse en zijn zieke vrouw en gaat de tijd voorbij. We stoppen bij een pan vol peren en een taart vol appels.

Sjoerd zet de peren op. Wijn hoeft er niet in, zegt beppe, ze worden zo wel rood. Ik maak het deeg voor de taart. Beppe leest, de Libelle en de Margriet waren samen in de kerstaanbieding. Sjoerd en Tammo gaan wandelen, lekker buitenom, dan mag hij los. Als ze terugkomen zijn de peren gaar en de taart klaar.

We eten wat, doen een dutje, wandelen nog eens met Tammo en de dag gaat voorbij. Het begint te schemeren als beppe de spruitjes doet, Tammo zijn kluif, Sjoerd de aardappelen, ik het vlees. Zo doen we allemaal wat. Het wordt tijd voor wijn en voor de avond.

Na het eten kijkt beppe tv: het journaal en een stukje Frans Bauer. Klein stukje. Ze slaapt binnen twee minuten.

Pruimen

De Streekhof is een hobbykwekerij. Gerrit, de eigenaar is 85. Te oud voor een renderend bedrijf, maar met wat vrijwilligers die de lol er van inzien gaat het allemaal net. Open op vrijdag- en zaterdagmorgen. Je mag zelf plukken wat er maar te plukken is. En dan reken je af. Heel betaalbaar. Naast de weegschaal en de geldkist staan tafels. Daar kun je koffie drinken en praatjes maken. Het zit er meestal vol met praatjesmakers.

Zaterdagochtend is het. Sjoerd gaat en ik ga mee. Pruimen plukken. Wel een beetje snel graag, het bezoek komt zo.

Eenmaal daar word ik langzaam. Ik loop met een emmertje de boomgaard in en dwaal af. Hier een pruim, daar eentje, oja, daar ook. Er hangen er zoveel, ik kan rustig kijken en voelen en plukken of toch even doorlopen. Al wandelend en kijkend loop ik zo het verleden binnen. Laarzen in de klei, de gulle geur van overrijp fruit, de witte wolken die in hoge snelheid langs de knalblauwe lucht schuiven.

Pruimen, dat was september, nazomer. Nog net geen herfst maar wel na de zomer, wel nog warme dagen maar het eerste najaarsvocht hing alweer in de lucht. Boeken kaften, de tas klaar voor school. Harde wind, eerder donker. Je wist, iets is voorbij. En al komt er iets anders, dat ene, warme, volle, dat is geweest en we moeten het er mee doen tot volgend jaar. Natuurlijk kon je jam koken en er in de winter van eten. Maar dat haalde het niet bij verse pruimen, zo van de boom.

Ik neem een hap.

Waar blijf je nou, zegt Sjoerd, het bezoek komt zo.

Oja, zeg ik en ik mompel iets over de mooiste pruimen en allemaal rijp. Vijf kilo, zegt de weegschaal. Zeven vijftig, zegt de hobbykweker. Wij zijn op tijd weer thuis, het bezoek komt. Ik vertel.

Niet zo heel veel later sta ik, met bezoek en al, weer bij de hobbykweker.

Pruimen graag.